ECLI:NL:GHAMS:2020:1954

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 juli 2020
Publicatiedatum
13 juli 2020
Zaaknummer
K19/230363
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beklag wegens onvoldoende belang tot strafvervolging smaad en laster

Klager deed aangifte van smaad, laster en later ook belediging tegen beklaagde over uitingen in september 2017. De officier van justitie besloot geen strafvervolging in te stellen, waarop klager beklag indiende bij het hof.

Het hof heeft het dossier, het ambtsbericht en de toelichting van klager en beklaagde onderzocht. Beklaagde bood excuses aan voor het gebruik van het woord 'oplichter' en legde uit dat zijn uitingen gericht waren op het functioneren van klager als bestuurder, niet als persoon.

Het hof overwoog dat het strafrecht een ultimum remedium is en dat het belang van vervolging onvoldoende is, mede gelet op de tijd die verstreken is en de reeds aangeboden excuses. Het hof concludeerde dat er onvoldoende belang is om de zaak aan de strafrechter voor te leggen en wees het beklag af.

De beslissing is definitief en er staat geen rechtsmiddel open. Deze uitspraak benadrukt de bescherming van de vrije meningsuiting, vooral bij kritiek op publieke personen, en het terughoudende gebruik van strafrecht bij uitingsdelicten.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af vanwege onvoldoende belang om strafvervolging in te stellen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER
Beschikking op het beklag met het rekestnummer K19/230363 van
[klager],
klager,
woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn gemachtigde: mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

1.Het beklag

Het hof heeft op 13 augustus 2019 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen
[beklaagde](hierna: beklaagde) ter zake van smaad(schrift)/laster/belediging.

2.Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 17 december 2019 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3.De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift en de aanvulling daarop;
- het verslag van de advocaat-generaal;
- het dossier van de politie;
- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland van 7 november 2019;
- de op 3 februari 2020 bij het gerechtshof binnengekomen reactie van klager op het ambtsbericht en het verslag.

4.De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 3 juni 2020 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door zijn advocaat, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.
Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op 3 juni 2020 op een ander tijdstip te worden gehoord. Beklaagde en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5.De beoordeling van het beklag

Klager heeft op 20 september 2017 aangifte gedaan van smaad/laster in de periode van
8 tot en met 20 september 2017. Op 10 februari 2020 is de aangifte aangevuld met belediging.
De behandeling van de aangifte door de officier van justitie voorafgaand aan het sepot heeft lang geduurd en is bepaald niet soepel verlopen. Hierover is een klacht ingediend bij de hoofdofficier van justitie en die is gegrond verklaard.
Voor de weergave van de feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het ambtsbericht en het verslag.
Het toetsingskader
Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.
De overwegingen van het hof
Smaad(schrift), laster en belediging zijn zogeheten uitingsdelicten. Of veroordeling daarvoor mogelijk is, zou van de strafrechter een afweging vereisen van enerzijds het recht van klager op bescherming van zijn goede naam, en anderzijds het grondrecht op vrije meningsuiting. Zeker waar het gaat om kritiek op het functioneren van een publiek persoon, met betrekking tot de uitoefening van zijn openbare taak, kunnen meningsuitingen rekenen op een ruime mate van bescherming op grond van, onder meer, artikel 10 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
Of het in deze zaak tot een veroordeling zou kunnen komen kan in het midden worden gelaten. Het strafrecht is immers een uiterste middel ter handhaving van de rechtsorde en dient slechts ingezet te worden indien het algemeen belang dat vereist. Het hof is, anders dan klager, van oordeel dat er onvoldoende belang is om de zaak aan de strafrechter voor te leggen. Daarbij weegt het volgende mee:
- Het feit heeft al bijna drie jaar geleden plaatsgevonden.
- Beklaagde heeft in een e-mail aan klager in oktober 2017 toegelicht dat hij boos was op klager als bestuurder, niet als mens, en dat het dus ook niet zijn bedoeling was geweest om klager als persoon te raken, maar als medeverantwoordelijk bestuurder.
- Beklaagde is naar aanleiding van klagers aangifte als verdachte gehoord door de politie; bij die gelegenheid heeft hij op soortgelijke wijze zijn handelen toegelicht.
- Beklaagde heeft op 25 januari 2019 aan klager excuses aangeboden:
“Beste mijnheer [klager]. Ik had het woord oplichter niet in mijn mond moeten nemen. Deze woorden waren niet op zijn plaats. Ik neem ze derhalve terug en bied mijn excuus aan voor het door die woorden bij u veroorzaakte leed.”
Dat klager niet overtuigd is van de oprechtheid van de excuses, onder meer omdat beklaagde weigert om de gewraakte tweet te verwijderen, maakt deze afweging niet anders.
Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.
Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6.De beslissing

Het hof wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op
13 juli 2020 door mrs. N. van der Wijngaart, voorzitter, I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en P.C. Kortenhorst, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en bij afwezigheid van de voorzitter en de griffier, ondertekend door de jongste raadsheer.