ECLI:NL:GHAMS:2020:1801
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens niet-opportune vervolging na langdurig tijdsverloop
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en stelde hoger beroep in. Het gerechtshof Amsterdam bevestigde dit vonnis in hoger beroep in 2004. Vervolgens stelde de verdachte beroep in cassatie in, waarop de Hoge Raad het arrest vernietigde en de zaak terug verwees naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 19 juni 2020 heeft het hof kennisgenomen van het verzoek van de advocaat-generaal om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Dit verzoek werd gebaseerd op het feit dat in de periode tussen het arrest van het hof in 2004 en het cassatieberoep in 2017 geen poging was gedaan om het verstekarrest aan de verdachte te betekenen, ondanks dat een adres bekend was.
Het hof oordeelde dat het voortzetten van de strafvervolging niet langer opportuun is gezien het lange tijdsverloop en de procedurele omstandigheden. Daarom vernietigde het hof het vonnis waarvan beroep en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 juni 2020.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens niet-opportune vervolging.