ECLI:NL:GHAMS:2020:1748
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en terugbetaling van leningen uit fideïcommissair vermogen na overlijden echtgenote
Appellante, dochter van de erflater, kwam in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam dat haar vorderingen inzake het fideïcommissair vermogen van haar overleden moeder, geïntimeerde, had afgewezen.
De erflater had in zijn testament een fideïcommissaire last verbonden aan het erfdeel van zijn echtgenote, waarbij het vermogen gescheiden bleef in bezwaard en eigen vrij vermogen. De echtgenote had in een notariële akte van 7 oktober 2008 verklaard dat opnames uit het bezwaarde vermogen als leningen moesten worden beschouwd en dat zij pas op het bezwaarde vermogen zou interen als haar eigen vermogen onvoldoende was.
Het hof oordeelde dat deze verklaring een rangorde van in- en vertering vastlegde en een gerechtvaardigd vertrouwen bij appellante wekte dat het bezwaarde vermogen intact zou blijven zolang de echtgenote over eigen vermogen beschikte. De latere herroeping in het testament van 2009 deed hieraan geen afbreuk. Het hof wees de vordering tot betaling van €228.565,- toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding in eerste aanleg, en veroordeelde geïntimeerde in proces- en beslagkosten. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €228.565,- plus wettelijke rente vanaf 11 juli 2017 en tot uitbetaling van het bezwaarde vermogen aan appellante.