ECLI:NL:GHAMS:2020:1651
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij
In deze zaak stond de betrokkene terecht voor het kweken van hennepplanten in zijn woning, waarbij het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €39.261,93 had ingesteld. De politierechter veroordeelde de betrokkene en legde de ontnemingsvordering op, maar de betrokkene ging in hoger beroep.
Tijdens het hoger beroep onderzocht het hof het elektriciteitsverbruik dat als basis diende voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het dossier bleek dat het stroomverbruik tussen maart en december 2016 aanzienlijk lager was dan het verbruik dat volgens het rapport nodig zou zijn geweest voor drie oogsten hennep. De advocaat-generaal stelde dat er mogelijk sprake was van stroomdiefstal of een illegale aftakking vóór de plaatsing van een nieuwe meter in november 2016, maar het hof vond hiervoor onvoldoende bewijs.
Het hof concludeerde dat er geen onregelmatigheden waren vastgesteld bij de meterwissel en dat de geregistreerde stroomafname leidend moest zijn. Hierdoor kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat eerdere oogsten hadden plaatsgevonden. Klachten over hennepstank waren onvoldoende om dit te weerleggen. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en wees de ontnemingsvordering af.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van eerdere oogsten.