Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[verhuurder sub 1] ,
[verhuurder sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of huurder gehouden was tot betaling van huur over oktober 2017 en bijkomende kosten. De verhuurder had de bedrijfsruimte verhuurd en vorderde betaling van huur, incassokosten en een contractuele boete. De huurder had de onderneming per 1 oktober 2017 aan een derde overgedragen, die met de nieuwe eigenaar van het gehuurde een huurovereenkomst sloot.
De kantonrechter wees de vordering van verhuurder af omdat de huurovereenkomst volgens huurder per 1 oktober 2017 was geëindigd en verhuurder dit niet voldoende betwist had. Verhuurder ging in hoger beroep en voerde aan dat de huurovereenkomst pas per 1 november 2017 was geëindigd, omdat de verkoop van het gehuurde pas op die datum plaatsvond.
Het hof oordeelde dat de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd waren betwist door verhuurder. Verhuurder had niet concreet ingegaan op de gang van zaken en kon niet verklaren waarom pas in augustus 2018 een factuur voor oktober 2017 was gestuurd. Hierdoor was verhuurder niet aan zijn stelplicht voldaan en was bewijslevering niet aan de orde.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vordering van verhuurder af, inclusief de vermeerderde eis in hoger beroep. Verhuurder werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die nihil werden begroot.
Uitkomst: De vordering van verhuurder tot betaling van huur en bijkomende kosten is afgewezen wegens onvoldoende betwisting van de beëindiging van de huurovereenkomst per 1 oktober 2017.