Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. A. van Dorsten te Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak vordert appellante de voortzetting van de huurovereenkomst van een standplaats die haar moeder huurde, op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Zij stelt dat zij sinds 2016 bij haar moeder woonde, een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en haar moeder verzorgde.
De gemeente Amsterdam verzoekt om ontruiming van de standplaats omdat appellante geen recht heeft op voortzetting van de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat appellante onvoldoende heeft gesteld dat zij hoofdverblijf had op de standplaats en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.
Het hof bevestigt deze beoordeling en oordeelt dat appellante onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om haar hoofdverblijf en duurzame huishouding aannemelijk te maken. Het feit dat zij haar moeder verzorgde en boodschappen deed, is onvoldoende om voortzetting van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.
De vordering wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd. Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de voortzetting van de huurovereenkomst wordt geweigerd wegens ontbreken van hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding.