Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Omvang van het geding
23-003061-17.
Gerechtshof Amsterdam
In hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland is het Gerechtshof Amsterdam op 7 juni 2019 tot het oordeel gekomen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging tegen de verdachte. De verdachte werd verdacht van het illegaal verblijf als vreemdeling terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod had.
De advocaat-generaal stelde dat vanwege de langdurige onzekerheid over de interpretatie van artikel 197 Sr Pro en het uitblijven van een definitieve uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, het niet langer redelijk en zinvol is de vervolging voort te zetten. De verdediging sloot zich hierbij aan.
Het hof overwoog dat de prejudiciële vragen die door de Hoge Raad aan het HvJ EU zijn gesteld essentieel zijn voor de beoordeling van de zaak en dat het HvJ EU naar verwachting pas over een jaar uitspraak zal doen. Gezien het relatief geringe belang van het strafbare feit en het aanzienlijke tijdsverloop sinds het tenlastegelegde, acht het hof voortzetting van de vervolging niet opportuun en verklaarde het OM niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging wegens aanhoudende onzekerheid over de reikwijdte van artikel 197 Sr.