Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven, houdende wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte uitlaten producties.
2.Feiten
grief 1 in principaal appelmaakt [appellante] allereerst bezwaar tegen onderdelen van de vaststellingen onder 2.9 en 2.10. Het hof zal met het te dezen door [appellante] gestelde rekening houden. Voor het overige zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten niet in geschil en dienen zij daarom ook het hof als uitgangspunt. Waar [appellante] er met voormelde grief tevens over klaagt dat de rechtbank een aantal “essentiële feiten [heeft] gepasseerd”, merkt het hof op dat de rechtbank niet was gehouden alle vaststaande feiten te vermelden of te bespreken, nog daargelaten of het hier (steeds) om tussen partijen vaststaande feiten gaat. Niettemin zal het hof (vanzelfsprekend) rekening houden met alle door [appellante] geponeerde relevante stellingen. De grief kan echter hoe dan ook op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis leiden.
3.Beoordeling
grief 2 in principaal appelbetoogt [appellante] dat de rechtbank haar beroep op bedrog (art. 3:44 lid 1 jo Pro lid 3 BW) althans dwaling (art. 6:228 BW Pro) ten onrechte van de hand heeft gewezen, evenals de daarop gebaseerde vordering tot vernietiging van de overeenkomst. De rechtbank heeft zich (in de overwegingen 4.5 tot en met 4.9 van het vonnis) alleen over het gestelde bedrog uitgelaten. Waar [appellante] in de toelichting op de grief stelt dat het beroep op dwaling in haar stellingen in eerste aanleg besloten lag en de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten op dat beroep te beslissen, overweegt het hof dat de juistheid van deze stelling in het midden kan blijven omdat het door [appellante] gedane beroep op dwaling in ieder geval thans in appel zal worden beoordeeld. [appellante] heeft bij de grief in zoverre dus geen belang.
grief 6 in principaal appelte behandelen. Deze houdt allereerst in dat de rechtbank in overweging 4.23 van het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld, kort gezegd, dat [geïntimeerde] niet in verzuim is omdat [appellante] hem niet in gebreke heeft gesteld.
grieven 8, 9 en 10 in principaal appel, respectievelijk gericht tegen het door [appellante] gedane beroep op opschorting en verrekening, tegen de toewijzing van wettelijke rente over het (in conventie) toegewezen bedrag en tegen de toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten.
grieven 5 en 7 in principaal appel, die zijn gericht tegen de kostenveroordelingen van [appellante] in conventie en in reconventie, beschoren. Deze veroordelingen zijn immers, zoals uit al het voorgaande volgt, terecht. Anders dan [appellante] in de toelichting op grief 7 nog betoogt, bestaat er geen grond de kosten in reconventie te compenseren.