ECLI:NL:GHAMS:2019:4000

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2019
Publicatiedatum
6 november 2019
Zaaknummer
23-000329-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor rijden tijdens rijontzegging wegens ontbreken kennisgeving

De verdachte werd beschuldigd van het besturen van een motorrijtuig tijdens een geldige rijontzegging die was opgelegd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De ontzegging betrof een periode van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof onderzocht of de kennisgeving van de ingang van de ontzegging daadwerkelijk aan de verdachte was uitgereikt.

Uit het dossier bleek dat er geen bewijs was dat de kennisgeving persoonlijk aan de verdachte was overhandigd. De verdachte verklaarde ter zitting dat hij deze kennisgeving niet had ontvangen en daarom dacht dat hij mocht rijden. Het hof oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ontzegging.

Op grond hiervan vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De uitspraak benadrukt het belang van correcte en aantoonbare kennisgeving bij rijontzeggingen om strafvervolging mogelijk te maken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs dat hij op de hoogte was van de rijontzegging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000329-19
datum uitspraak: 10 oktober 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer
96-243744-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 oktober 2019.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 november 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot
het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd,
op de weg, de Rijksweg, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.
De verdachte heeft op 29 november 2017 in Hoofddorp een personenauto bestuurd terwijl hem bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 september 2016
de bevoegdheid was ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes (6) maanden waarvan
drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren.
In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat de
‘kennisgeving ingang ontzegging rijbevoegdheid’van 10 september 2017, waarin staat dat voormelde ontzegging zal ingaan op de 21e dag na betekening van dit schrijven, in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voornoemde kennisgeving niet heeft ontvangen en dat hij dacht dat hij mocht rijden.
Het hof is – in aansluiting op het requisitoir van de advocaat-generaal, het betoog van de verdachte en aangezien overig bewijs ontbreekt op grond waarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van voornoemde ontzegging – van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin
zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. S. Clement en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid
van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof
van 10 oktober 2019.