Uitspraak
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
grief 1,
grief 2en
grief 3falen.
grief 4evenmin terecht is voorgesteld.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak vordert Engie betaling van onbetaalde facturen voor gas en elektriciteit geleverd aan [appellant] tussen 2014 en 2016. [appellant] betwist de hoogte van de vordering en stelt dat Engie tekort is geschoten in haar verplichtingen, onder meer door het niet tijdig opzeggen van de overeenkomst met de vorige leverancier, wat hem een boete opleverde.
De kantonrechter veroordeelde [appellant] tot betaling van het gevorderde bedrag, inclusief wettelijke rente en incassokosten, en wees zijn tegenvordering af. In hoger beroep handhaaft het hof deze uitspraak. Het hof oordeelt dat de meterstanden en verbruiksgegevens, gebaseerd op het Centraal Toegankelijk Meetregister en fysieke opnames, voldoende onderbouwing bieden voor de vordering van Engie.
Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat de stijging in verbruik ondenkbaar is en dat Engie onvoldoende bewijs heeft geleverd. Ook is vastgesteld dat Engie voldoende pogingen heeft gedaan om meterstanden op te vragen en dat de incassokosten terecht zijn toegekend. Het hoger beroep faalt en het vonnis wordt bekrachtigd, waarbij [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt [appellant] tot betaling van € 8.905,17 plus rente en incassokosten.