Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 1 in principaal appelbetoogt [appellant] dat dient te worden uitgegaan van de door hem in de memorie van grieven vermelde feiten, voor zover in het bestreden vonnis van andere feiten is uitgegaan. Omdat [appellant] niet stelt dat – en zo ja welke – door de kantonrechter vermelde feiten onjuist zijn, zal het hof, nu ook [geïntimeerde] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Wel zal het hof, vanzelfsprekend, rekening houden met alles wat partijen (overigens) hebben aangevoerd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.Beoordeling
grief 2 in principaal appelbetoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte het beroep op een [appellant] toekomend retentierecht heeft verworpen. [appellant] stelt primair dat hij in opdracht van [geïntimeerde] de boot heeft hersteld, dat hij op grond daarvan recht heeft op betaling van de door hem in verband hiermee aan [geïntimeerde] verzonden factuur ten belope van € 11.710,38 en dat hem ter zake (kennelijk) op grond van het bepaalde in art. 6:52 BW Pro jo. art. 3:290 BW Pro e.v. een retentierecht toekomt. Subsidiair stelt [appellant] dat [geïntimeerde] als gevolg van de door [appellant] aan de boot verrichte werkzaamheden tot voormeld bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt in de zin van art. 6:212 BW Pro en dat [appellant] daarom ingevolge art. 6:52 BW Pro jo. art. 3:290 BW Pro e.v. een retentierecht toekomt. Het hof oordeelt als volgt.