ECLI:NL:GHAMS:2019:3627

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
9 oktober 2019
Zaaknummer
200.252.804/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvRichtlijn 93/13
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Appellanten niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen gemeente Amsterdam

In deze civiele zaak tegen de gemeente Amsterdam hebben appellanten nagelaten een memorie van grieven in te dienen binnen de gestelde termijnen, ondanks uitstelverzoeken. Het hof heeft daarom het recht van appellanten om grieven te nemen vervallen verklaard.

Het hof heeft vastgesteld dat de aangevallen beslissing niet berust op een oneerlijk beding zoals bedoeld in Richtlijn 93/13, en bij gebrek aan grieven zijn appellanten niet ontvankelijk in het hoger beroep. De kosten van het hoger beroep en het incident worden aan appellanten opgelegd.

De uitspraak volgt op een eerder tussenarrest van 16 april 2019 en is uitgesproken door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 8 oktober 2019.

Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.252.804/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6679657 CV EXPL 18-4318
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2019
inzake:
1.[appellante 1],
2.[appellante 2],
beiden wonend te [woonplaats],
appellanten in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Op 16 april 2019 heeft het hof in deze zaak arrest gewezen in een incident ex artikel 351 Rv Pro. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat arrest verwezen. Het hof heeft de vordering in het incident afgewezen, de beslissing over de kosten van het incident aangehouden en de zaak naar de rol van 28 mei 2019 verwezen voor het nemen van een memorie van grieven door appellanten. Bij H5-formulier van 9 mei 2019 hebben appellanten verzocht om uitstel voor het nemen van een memorie van grieven. De zaak is naar de rol van 9 juli 2019 verwezen voor het nemen van memorie van grieven door appellanten. Op deze datum is evenmin van grieven gediend en is verval verleend van het recht van appellanten op het nemen van een memorie van grieven.
Arrest is nader bepaald op heden.

2.Beoordeling

Niet is gebleken dat de in de appeldagvaarding aangevallen beslissing berust op een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13.
Bij gebreke van grieven kunnen appellanten niet worden ontvangen in het hoger beroep.
De kosten van het hoger beroep, inclusief die van het incident, komen voor rekening van appellanten.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 741,= aan verschotten en € 1.074,= aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.