Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.R.J. SCHIMMELPENNINCK,
DSB Bank N.V. h.o.d.n. Finqus, gevestigd en kantoorhoudend te Wognum,
Gerechtshof Amsterdam
De curatoren van het faillissement van DSB Bank zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter dat hun vordering tot betaling van een vervroegd opeisbare kredietsom had afgewezen. De vordering betreft een krediet van fl. 19.000,- dat aan de geïntimeerde is verstrekt op basis van een kredietovereenkomst met algemene voorwaarden.
De kantonrechter had geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden dat buitengerechtelijke kosten bij vervroegde opeising voor rekening van de kredietnemer brengt, nietig is op grond van de oude Wet op het consumentenkrediet (Wck). Dit leidde tot afwijzing van de vordering. Het hof oordeelt echter dat deze nietigheid niet doorwerkt op het beding over vervroegde opeisbaarheid van de gehele restantschuld.
De geïntimeerde was minstens twee maanden achterstallig met betalingen en in gebreke gesteld. De curatoren vorderen betaling van de restantschuld en achterstanden, vermeerderd met contractuele rente. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering toe, waarbij de rente wordt gemaximeerd conform de wettelijke norm voor consumentenkrediet. De kosten van het geding worden aan de geïntimeerde opgelegd.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de curatoren tot betaling van de vervroegd opeisbare kredietsom toe en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de restantschuld met rente en proceskosten.