ECLI:NL:GHAMS:2019:3459
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opdrachtenportefeuille is niet overdraagbaar en niet vatbaar voor pandrecht
De zaak betreft een hoger beroep van ING Bank tegen de curator van failliete makelaarsvennootschappen over de vraag of een opdrachtenportefeuille overdraagbaar is en vatbaar voor pandrecht. De bank stelde dat de portefeuille een zelfstandig vermogensrecht vormt en dat zij een pandrecht daarop heeft. De curator verkocht de portefeuille zonder rekening te houden met het pandrecht van de bank.
Het hof stelt vast dat de opdrachtenportefeuille bestaat uit een verzameling van rechtsverhoudingen, vorderingsrechten en goodwill, en dat deze als geheel economisch waardevol is. Echter, het hof oordeelt dat deze portefeuille niet als één goed kan worden overgedragen volgens artikel 3:228 BW Pro, omdat het een samenstel is van wisselende onderdelen die afzonderlijk geleverd moeten worden.
De vergelijking met assurantieportefeuilles en andere rechten zoals domeinnamen faalt omdat die niet uit wisselende (vorderings)rechten bestaan. Ook het beroep op contractsoverneming (artikel 6:159 BW Pro) faalt omdat een overeenkomst zelf geen vermogensrecht is en de portefeuille uit meerdere overeenkomsten bestaat.
Daarom kan geen pandrecht gevestigd worden op de opdrachtenportefeuille als geheel. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van de bank af. De bank wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van de bank af omdat een opdrachtenportefeuille niet overdraagbaar is en dus niet vatbaar voor pandrecht.