In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2018, waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor woninginbraken en werd verplicht tot betaling van €1.456,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het openbaar ministerie vorderde in eerste aanleg een bedrag van €3.830,70.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd vanwege een andere motivering omtrent de vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft het voordeel uit de bewezenverklaarde woninginbraak vastgesteld op €886,25 en het voordeel uit een subsidiair bewezen strafbaar feit op €570,19. De totale ontnemingsvordering bedraagt daarmee €1.456,44.
De raadsvrouw betwistte dat de veroordeelde voordeel had behaald uit de voorbereiding van de inbraak, omdat hij alleen een bus had gehuurd en niet had gedeeld in de buit. Het hof volgde dit standpunt deels, maar stelde vast dat de veroordeelde wel een vergoeding en bijdrage ontving voor het huren van de bus, wat als wederrechtelijk voordeel werd aangemerkt.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 27 juni 2019. De veroordeelde is veroordeeld tot betaling van €1.456,44 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.