ECLI:NL:GHAMS:2019:3291
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens onzekerheid over reikwijdte artikel 197 Sr
In deze strafzaak stond de tenlastelegging centraal dat verdachte als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod tegen zich had. Het hof behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter.
De advocaat-generaal vorderde niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege de langdurige onzekerheid over de interpretatie van artikel 197 Sr Pro, mede doordat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie nog niet waren beantwoord. De verdediging sloot zich hierbij aan.
Het hof overwoog dat het HvJ EU de prejudiciële vraag over artikel 197 Sr Pro waarschijnlijk niet op korte termijn zal beantwoorden en dat het misdrijf van relatief geringe ernst is, zonder concrete slachtoffers en met een maximale gevangenisstraf van zes maanden. Gezien het tijdsverloop en het ontbreken van een strafrechtelijk belang achtte het hof voortzetting van de vervolging niet opportuun en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens de aanhoudende juridische onzekerheid en het ontbreken van een strafrechtelijk belang.