ECLI:NL:GHAMS:2019:3272

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 september 2019
Publicatiedatum
9 september 2019
Zaaknummer
23-002544-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens intrekking

De verdachte was in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam. Tijdens de zitting op 26 augustus 2019 heeft de raadsman van de verdachte medegedeeld dat de verdachte zijn hoger beroep wenst in te trekken en geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep.

Het hof heeft vervolgens, na overleg met de advocaat-generaal, geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde hoger beroep conform artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er is geen sprake meer van een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van de procedure.

Het arrest is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 26 augustus 2019. Twee van de rechters waren niet in staat het arrest mede te ondertekenen.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002544-18
datum uitspraak: 26 augustus 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-702035-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Libië) op [geboortedag] 1988,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 augustus 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat de verdachte voor het ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevangen op 29 mei 2019. Het onderzoek is toen geschorst tot de terechtzitting van 26 augustus 2019.
Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte het hof medegedeeld dat de verdachte zijn hoger beroep wil intrekken en hij geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep.
Nu de verdachte de eerder bij hem levende bezwaren tegen het vonnis niet handhaaft en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, is het hof van oordeel, gehoord de advocaat-generaal, dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering,

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. H.A. van Eijk en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van
A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 augustus 2019.
mr. H.A. van Eijk en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.