ECLI:NL:GHAMS:2019:322
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Nederlandse rechter inzake gezagskwestie minderjarige met verblijfplaats in Israël
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam het hoger beroep van de moeder behandeld tegen beschikkingen waarbij zij was geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over haar minderjarige dochter [A]. De moeder stelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was, terwijl de raad voor de Kinderbescherming stelde dat de gewone verblijfplaats van [A] in Nederland lag.
Het hof heeft onderzocht of het hoger beroep tijdig was ingesteld en oordeelde dat de moeder ontvankelijk was, omdat zij binnen drie maanden na objectief verifieerbare kennisname van de beschikkingen hoger beroep had ingesteld. Vervolgens heeft het hof de bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld aan de hand van het begrip gewone verblijfplaats zoals uitgelegd in Brussel II-bis en relevante jurisprudentie.
Het hof concludeerde dat de gewone verblijfplaats van [A] ten tijde van het inleidend verzoek in maart 2018 in Israël lag, waar zij sinds augustus 2017 verbleef en waar zij sociaal en familiair was geïntegreerd. Omdat Israël geen partij is bij Brussel II-bis, was de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 Rv Pro onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot schorsing van het gezag. Het hof vernietigde de bestreden beschikkingen en wees het verzoek van de moeder tot kostenveroordeling af.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot schorsing van het gezag over de minderjarige, waardoor de bestreden beschikkingen worden vernietigd.