ECLI:NL:GHAMS:2019:3083
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep bij vordering met rente boven drempelbedrag
Appellante is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter waarin een vordering tot betaling van een hoofdsom en rente was behandeld. Hoewel de hoofdsom in eerste aanleg was verminderd tot €143,37, werd daarnaast een aanzienlijke wettelijke handelsrente van ruim €6.000 gevorderd over de oorspronkelijke hoofdsom.
Het hof heeft onderzocht of het hoger beroep ontvankelijk is op grond van artikel 332 Rv Pro, dat vereist dat de vordering waarover in eerste aanleg is beslist meer dan €1.750 bedraagt, inclusief de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente. Uit de stukken blijkt dat de rente over de oorspronkelijke hoofdsom door appellante is berekend op €6.557,19, een bedrag dat door geïntimeerden niet is betwist.
Daarom concludeert het hof dat de rechter in eerste aanleg over een vordering van meer dan €1.750 heeft moeten beslissen, waardoor het hoger beroep ontvankelijk is. Het hof verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een memorie van grieven door appellante en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard omdat de vordering inclusief rente meer dan €1.750 bedraagt.