In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en een nieuwe bewezenverklaring vastgesteld. Verdachte werd ervan beschuldigd op 12 november 2017 te Schiphol 35,55 kilogram qat, een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, binnen Nederland te hebben gebracht.
De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim vanwege het niet toestaan van advocatenbijstand bij aanhouding en dat verdachte slechts afstand had gedaan van de inhoud van de koffers, niet van de koffers zelf. Het hof verwierp deze verweren op grond van het proces-verbaal waaruit blijkt dat verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand deed van zijn recht op rechtsbijstand en ook van de koffers.
Het hof achtte het bewezen dat verdachte de invoer van de qat heeft gepleegd en verklaarde het overige ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, conform de vordering van de advocaat-generaal. Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen van verdachte en de aard van het middel qat.
De straf is opgelegd op grond van de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 12 juli 2019.