ECLI:NL:GHAMS:2019:2179

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2019
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
23-000126-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bezit en invoer van kinderpornografisch materiaal en cocaïne

De verdachte werd veroordeeld voor het invoeren van circa 3.387,6 gram cocaïne en het bezit van twee kinderpornografische filmbestanden op zijn smartphone. Na vernietiging door de Hoge Raad werd de zaak in hoger beroep opnieuw behandeld.

De verdediging voerde aan dat het onderzoek aan de smartphone onrechtmatig was, omdat zonder toestemming van de officier van justitie een meer dan beperkte inbreuk op de privacy had plaatsgevonden. Het hof erkende het vormverzuim en de schending van artikel 8 EVRM Pro, maar oordeelde dat het nadeel gering was, de opsporingsambtenaren te goeder trouw handelden en dat toestemming waarschijnlijk was verleend. Daarom werd bewijsuitsluiting niet toegepast.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de cocaïne invoerde en de kinderpornografische bestanden bezat, waarvan één ook via WhatsApp werd verzonden. De straf werd vastgesteld op 33 maanden gevangenisstraf, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van de feiten, recidive en maatschappelijke belangen. Tevens werd de smartphone onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 33 maanden gevangenisstraf en onttrekking van smartphone wegens bezit kinderpornografisch materiaal en invoer cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000126-19
datum uitspraak: 25 juni 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 18 december 2018 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-820861-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1973,
adres: [adres].

Procesgang

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drieëndertig (33) maanden.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 25 januari 2017 het vonnis vernietigd, opnieuw recht gedaan en de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drieëndertig (33) maanden. Onder 1 heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij op 26 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.387,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 18 december 2018 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen, teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover nu nog ter beoordeling van het hof staat, ten laste gelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 26 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, (een) afbeelding(en), te weten twee filmbestanden en/of een gegevensdrager bevattende een afbeelding(en), te weten een smartphone (merk Samsung) heeft ingevoerd en/of in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeelding(en) (telkens) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - (telkens) bestonden uit:
- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen (al dan niet door zichzelf) van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong en/of met een voorwerp(en) (te weten: een bewegend speelgoedkonijn))
en/of het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong) (zie het eerste en tweede bestand op p. 10 en op p. 14)
en/of
- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of poseert met een voorwerp (te weten: een bewegend speelgoedkonijn) en/of waarna door de wijze van kleden van deze persoon (te weten: een broek met een gat ter hoogte van het kruis) nadrukkelijk het (ontblote en/of stijve) geslachtsdeel in beeld gebracht wordt,
(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (zie het tweede bestand op p. 10 en p. 14).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsverweer

Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat onrechtmatig onderzoek is gedaan aan de onder de verdachte inbeslaggenomen smartphone, gezien het hiervoor door de Hoge Raad gegeven kader. De gehele inhoud van de smartphone is onderzocht, waardoor een meer dan beperkte inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde privéleven van de verdachte is gemaakt, zonder dat daarvoor toestemming van de officier van justitie was verkregen. Dit vormverzuim is onherstelbaar, ernstig verwijtbaar en heeft nadeel voor de verdachte opgeleverd door het ingrijpende karakter van de inbreuk op zijn privacy. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van onder meer de videobestanden die bij het onrechtmatige onderzoek aan de smartphone zijn aangetroffen, waarop de tenlastelegging onder 2 betrekking heeft. Daardoor resteert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van dat feit te komen.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het opzettelijk invoeren en in bezit hebben van een deel van het ten laste gelegde kinderpornografische materiaal, te weten het filmbestand [bestandsnaam 1].
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld
in artikel 359a Sv, omdat een kopie is gemaakt van de smartphone van de verdachte, waarna de grafische bestanden zijn overgezet en uitgelezen met behulp van technische hulpmiddelen, zonder voorafgaand bevel van de officier van justitie. Daarmee is een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op het privéleven van de verdachte. Evenwel moet worden volstaan met de constatering van dit verzuim, aangezien de ernst hiervan beperkt is. Er is geen sprake van een situatie waarin een machtiging van de rechter-commissaris gevraagd moest worden en het is hoogst aannemelijk dat de officier van justitie desgevraagd de bedoelde toestemming zou hebben gegeven, gelet op de verdenking van overtreding van artikel 240b Sr die was ontstaan bij de rechtmatige handmatig uitgevoerde
quickscan. Bovendien is van belang dat tot het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 opsporingsambtenaren redelijkerwijs mochten aannemen dat betrokkenheid van een officier van justitie of rechter-commissaris niet noodzakelijk was voor het onderzoeken van een smartphone. Ook het nadeel dat het verzuim heeft veroorzaakt, is gering. Er is geen sprake van een inbreuk op artikel 6 EVRM Pro en het onderzoek heeft gericht plaatsgevonden, met het oog op strafrechtelijk relevante gegevens.
Ten aanzien van het subsidiaire verweer heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring met betrekking tot beide filmbestanden dient te volgen, op de gronden zoals reeds verwoord door het hof in zijn arrest van 25 januari 2017.
De feitelijke gang van zaken
Het hof stelt de volgende feitelijke gang van zaken vast. Op 26 september 2015 is de verdachte op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aangekomen vanuit Paramaribo (Suriname). Na zijn aanhouding op verdenking van de invoer van cocaïne, is zijn bagage in beslag genomen. [1] Daarin werd onder meer een Samsung smartphone aangetroffen. [2] Bij een
quickscanvan de smartphone (
naar het hof uit nader door de advocaat-generaal ingewonnen informatie begrijpt: een handmatig uitgevoerd beknopt onderzoek) door een lid van het rechercheteam belast met drugsbestrijding, is een videobestand aangetroffen dat het vermoeden deed rijzen van kinderporno. Door de hulpofficier van justitie is daarop besloten de telefoon over te dragen aan de afdeling Jeugd en Zeden voor het opmaken van een apart dossier. [3] Na overleg met deze afdeling is besloten om het filmbestand en alle overige foto- en videobestanden veilig te stellen en aan te bieden ter beoordeling op kinderpornografische inhoud. Door het rechercheteam belast met drugsbestrijding is een forensische kopie van de op deze gegevensdrager aanwezige data vervaardigd. Met gebruikmaking van forensische software zijn uit alle data de grafische bestanden (zoals foto- en videobestanden) veiliggesteld, waarna deze zijn overgezet in de
software-applicaties XRY. Daarbij zijn de twee ten laste gelegde kinderpornografische bestanden aangetroffen. [4] Beide bestanden waren in de telefoon van de verdachte benaderbaar via de map ‘Galerij’ in de map ‘WhatsApp Video’. [5]
In zijn verhoor door de Koninklijke Marechaussee op 12 oktober 2015 heeft de verdachte verklaard dat de Samsung smartphone zijn telefoon is en dat hij de enige gebruiker daarvan is. Op vragen over de op die telefoon aangetroffen kinderpornografische bestanden heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. [6]
Vervolgens is nader onderzoek verricht aan de smartphone teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen over, kort gezegd, de manier waarop de kinderpornografische bestanden op de telefoon van de verdachte terecht zijn gekomen en hoe hij daarmee is omgegaan. In dat verband is met behulp van “Forensische Hardware Cellebrite Ufed Touch, versie 4.2.8.36, een fysieke dump van het interne geheugen van de mobiele telefoon gemaakt. Een fysieke dump is een bit voor bit kopie van het interne geheugen van een mobiele telefoon. (…) de veiliggestelde gegevens [zijn] onderzocht middels de forensische softwareprogramma’s Ufed Physical Analyser, versie 4.4.0.77 en Internet Evidence Finder, versie 6.7.0.0447”. Uit dit onderzoek bleek dat uit de chatgesprekken kon worden opgemaakt dat beide kinderpornografische bestanden zijn bekeken en dat het tweede hiervoor genoemde filmbestand is verzonden aan een WhatsApp-contact van de verdachte genaamd [naam], [7] over wie de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2019 heeft verklaard dat het kan zijn dat dat een vriend van hem is.
Oordeel van het hof
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de wijze waarop de Samsung smartphone van de verdachte is onderzocht – zonder dat daaraan toestemming van een officier van justitie of rechter-commissaris ten grondslag lag – het vermoeden doet ontstaan dat daardoor een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt. Het hof zal dit daarom tot uitgangspunt nemen, zodat het ontbreken van voorafgaande toestemming van de officier van justitie of de rechter-commissaris moet worden beschouwd als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Dat betekent dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op het recht van de verdachte op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en dus van een schending van artikel 8 EVRM Pro.
Naar het oordeel van het hof dient te worden volstaan met de constatering van het vormverzuim. Daarbij heeft het hof zich er rekenschap van gegeven dat het belang dat het geschonden voorschrift dient - de bescherming van de persoonlijke levenssfeer - een grondrecht betreft, maar dat de inbreuk daarop niet als zeer ingrijpend kan worden aangemerkt. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat het belang van de verdachte dat het door hem gepleegde strafbare feit niet wordt ontdekt geen rechtens te respecteren belang vormt, terwijl de verdediging het nadeel dat de verdachte overigens heeft ondervonden nauwelijks heeft geconcretiseerd. Er is alleen in algemene zin op gewezen dat mediagegevens, WhatsApp-gesprekken, e-mails, notities en bezochte webpagina’s zijn onderzocht, maar niet is aangevoerd wat zich aan dergelijke gegevens op de onderzochte smartphone bevond. Dat gebrek aan concretisering is niet zonder belang. De mate waarin een onderzoek waarbij alle gegevens uit een smartphone worden gekopieerd inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer – en nadeel kan veroorzaken, dat zich mogelijk leent voor compensatie – hangt immers nauw samen met de in die smartphone opgeslagen gegevens. Dat op de Samsung smartphone van de verdachte persoonlijke of precaire informatie kon worden geraadpleegd die de ernst tekent van de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer, is niet (concreet) aangevoerd; mede gelet op de antwoorden van de verdachte op hem ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2019 gestelde vragen is dat evenmin anderszins aannemelijk geworden.
Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat de betrokken opsporingsambtenaren, zo kan worden
aangenomen, te goeder trouw hebben gehandeld en de verwijtbaarheid van die (achteraf bezien
onrechtmatige) handelwijze zeer gering is. Pas met het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584 is duidelijk geworden dat voor het onderzoek als door de opsporingsambtenaren in deze zaak verricht, vooraf toestemming dient te worden gevraagd als hiervoor bedoeld. Daar komt bij dat naar het oordeel van het hof mede op basis van de daartoe strekkende mededelingen van de advocaat-generaal (tevens plaatsvervangend officier van justitie) ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is dat in de gegeven omstandigheden door de officier van justitie, indien deze daartoe zou zijn aangezocht, toestemming zou zijn verleend de smartphone van de verdachte te onderwerpen aan de vormen van onderzoek zoals die hebben plaatsgevonden.
Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat zich geen geval voordoet waarin de toepassing van
bewijsuitsluiting in aanmerking komt, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013
(ECLI:NL:HR:2013:BY5321), terwijl evenmin sprake is van door het vormverzuim veroorzaakt nadeel
dat zich leent voor compensatie door middel van strafvermindering zoals bedoeld in het arrest van de
Hoge Raad van 30 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AM2533). Het primaire verweer wordt daarom verworpen.
Ook het subsidiaire verweer wordt verworpen. Op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat op de door de verdachte vanuit Paramaribo meegenomen smartphone twee kinderpornografische filmbestanden stonden. Deze bestanden waren eenvoudig benaderbaar en zijn, gezien de verklaring van de verdachte dat hij de enige gebruiker van zijn smartphone was, door hem bekeken, terwijl één van die bestanden ook door hem via WhatsApp is verzonden naar een vriend van hem. Nu de verdachte niets tegenover deze feiten heeft gesteld dat in een andere richting wijst, acht het hof op die gronden het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen, zoals hierna vermeld.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

De raadsman heeft verzocht om, indien het hof de verweren van de verdediging verwerpt, de doorzoeking aan de mobiele telefoon van de verdachte rechtmatig acht, niet tot bewijsuitsluiting overgaat en tot een bewezenverklaring komt voor feit 2, de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] – de verbalisanten die de onderzoeken naar de gegevens op de mobiele telefoon hebben uitgevoerd en de processen-verbaal daarover hebben opgemaakt – te horen als getuige, om vast te stellen welke gegevens op de smartphone zijn onderzocht en of dit ‘een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager opgeslagen of beschikbare gegevens’ zijn geweest of juist niet. Deze vaststelling is nodig bij de beantwoording van de vragen ex artikel 348/350 Sv en is tevens relevant voor de ernst van het vormverzuim.
Het hof overweegt hierover als volgt. De voorwaardelijke getuigenverzoeken van de verdediging hebben betrekking op de rechtmatigheid van het optreden van de opsporingsambtenaren bij het uitlezen van de smartphone. Nu het hof, zoals hiervoor uiteengezet, reeds heeft geconstateerd dat er sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, ontbreekt de noodzaak tot het horen van de opsporingsambtenaren als getuigen. Nu ook voor het overige niet is gebleken van een noodzaak daartoe, wijst het hof de verzoeken af. Daarbij is in aanmerking genomen dat het door de raadsman gevoerde verweer reeds faalt omdat onvoldoende van een concreet door de verdachte geleden nadeel is gebleken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een gegevensdrager, te weten een smartphone, bevattende afbeeldingen (filmbestanden), heeft ingevoerd en in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
(Filmbestand 1 met bestandsnaam [bestandsnaam 2])
- het betasten en aanraken van de geslachtsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met een hand en de mond
en
- het betasten van de geslachtsdelen van een persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met een hand en de tong

(Filmbestand 2 met bestandsnaam [bestandsnaam 3])

- het gedeeltelijk naakt poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon poseert met een bewegend speelgoedkonijn en waarna door de wijze van kleden van deze persoon, te weten een broek met een gat ter hoogte van het kruis, nadrukkelijk het ontblote en stijve geslachtsdeel in beeld gebracht wordt, waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling.
Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals vermeld in de vorenstaande voetnoten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, invoeren en in bezit hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg het onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden. Tevens is de onttrekking aan het verkeer bevolen van de smartphone.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de straf voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest, en dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest. Ook heeft zij de verbeurdverklaring van de smartphone gevorderd.
De raadsman heeft aangevoerd dat bij de strafoplegging rekening gehouden dient te worden met het aandeel dat de verdachte heeft gehad bij de cocaïnesmokkel (hij was slechts loopjongen en is bedrogen door een vriend), het feit dat de verdachte sinds zijn schorsing in december 2015 – inmiddels dus bijna vier jaren – niet met politie en justitie in aanraking is gekomen, het tijdsverloop en met zijn persoonlijke omstandigheden zoals zijn gezin, baan en huurwoning. Dit alles dient te resulteren in een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf en een matiging van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf. Ook een onvoorwaardelijke taakstraf behoort tot de mogelijkheden, aldus de raadsman.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van 3.387,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Gelet op de hoeveelheid moet de cocaïne bestemd zijn geweest voor de
handel. De verspreiding van en handel in harddrugs en als afgeleide het gebruik ervan betekenen een
bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving mee en leiden veelal,
direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit.
Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarbij geldt bij het invoeren van een hoeveelheid tussen 3.000 en 4.000 gram cocaïne als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 30 tot 36 maanden. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte die aanleiding geven om hiervan in het voordeel van de verdachte af te wijken, is niet gebleken.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 mei 2019 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake opiumdelicten. De verdachte heeft hieruit kennelijk geen lering getrokken, nu hij opnieuw is aangehouden voor een soortgelijk delict. Dat weegt in het nadeel van de verdachte.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het bezit van een gegevensdrager met twee kinderpornografische filmbestanden. Bij de vervaardiging van kinderpornografisch materiaal worden kinderen seksueel misbruikt. Het kan als algemeen bekend worden beschouwd dat kinderen daarvan grote psychische (en lichamelijke) schade kunnen ondervinden en dat zij nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische en/of lichamelijke gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Kinderen dienen tegen dergelijk misbruik te allen tijde beschermd te worden. Door het in bezit hebben van kinderpornografisch beeldmateriaal wordt de industrie die deze kinderen exploiteert, in stand gehouden. Het hof tekent echter aan dat, mede gelet op het relatief geringe aantal films dat de verdachte in bezit heeft gehad, de op te leggen straf nagenoeg geheel is bepaald door de aard en de ernst van het onder 1 bewezen geachte en de recidive van de verdachte.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof realiseert zich dat tenuitvoerlegging van deze straf, zoals de raadsman uiteen heeft gezet, zal ingrijpen in het leven van de verdachte. Naar het oordeel van het hof kan gelet op het bovenstaande echter niet met oplegging van een mildere straf worden volstaan. Ook het tijdsverloop geeft geen aanleiding tot oplegging van een lagere of andere straf.
Maatregel
Het hof zal de onttrekking aan het verkeer bevelen van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven smartphone die aan de verdachte toebehoort en met behulp waarvan het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan, omdat dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
33 (drieëndertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 mobiele telefoon, Samsung (goednummer: PL2700-15-081376-7).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. C.N. Dalebout en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr.
L.A. Dilling, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2019.
[…]

Voetnoten

1.[…]
2.[…]
3.[…]
4.[…]
5.[…]
6.[…]
7.[…]