ECLI:NL:GHAMS:2019:1961
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering erfpachtcanon afgewezen wegens gebrek aan procesbelang na overdracht erfpachtrecht
In deze civiele zaak stond de omvang van de erfpachtcanon centraal. Hoveling, de oorspronkelijke erfpachtster, had haar erfpachtrecht tijdens de procedure aan een derde verkocht en geleverd. Hierdoor verloor zij haar procesbelang voor de periode na de levering en kon dit belang ook niet worden verondersteld voor de periode daarvoor.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de canon voor 25 jaar was vastgesteld en bepaalde dat het eerdere erfpachtrecht vernietigd werd voor zover het de canon betrof. Hoveling had vorderingen ingesteld tot erkenning van verlenging van het erfpachtrecht en vaststelling van een nieuwe canon, maar deze werden in hoger beroep afgewezen.
Het hof oordeelde dat Hoveling geen belang meer had bij de procedure omdat zij niet meer rechthebbende was. Zij had ook geen terugvordering van betaalde canonbedragen gevorderd, wat haar belang voor de periode vóór levering ondermijnde. Daarom werden de eerdere vonnissen, met uitzondering van één tussenvonnis, vernietigd en haar vorderingen alsnog afgewezen.
Hoveling werd veroordeeld tot terugbetaling van door de gemeente betaalde bedragen en in de proceskosten van beide instanties. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Vorderingen van Hoveling worden afgewezen wegens gebrek aan procesbelang na overdracht erfpachtrecht.