Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
grief 1faalt.
met voortzetting van de huurovereenkomstwil overgaan tot renovatie. Met dit betoog miskent [appellant] evenwel dat de verplichting die is vervat in artikel 7:213 BW Pro een verplichting is ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak, zodat de weigering in te gaan op een voorstel ex artikel 7:220 lid 2 BW Pro geen schending van deze verplichting kan opleveren. Daar komt nog bij dat het voorstel van [appellant] ex artikel 7:220 lid 2 BW Pro blijkens de inhoud ervan niet wordt gedaan in het kader van de door [appellant] (naast ontbinding) gevorderde beëindiging van de huurovereenkomst, maar [appellant] naast ontbinding van de huurovereenkomst en beëindiging ervan geen vordering tot nakoming van een redelijk renovatievoorstel op de voet van artikel 7:220 lid 2 BW Pro heeft ingesteld. Daaraan voegt het hof ten slotte nog toe dat voor zover het bedoelde voorstel van [appellant] niettemin (mede) zou moeten worden begrepen als een voorstel in het kader van artikel 7:274 lid 1 aanhef Pro en sub c j▫ lid 3 aanhef en sub a BW, dit renovatievoorstel evenmin tot beëindiging van de huurovereenkomst kan leiden, omdat het hof in dat geval dit voorstel, zoals door [appellant] geamendeerd (zie akte uitlating in hoger beroep onder 6), onvoldoende concreet en geen redelijk renovatievoorstel acht, reeds omdat daarin iedere verwijzing naar voor [geïntimeerden] te verkrijgen andere passende woonruimte ontbreekt. Uit een en ander volgt dat ook
grief 2moet worden verworpen.
grief 3evenmin terecht is voorgesteld.