Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[Y] V.O.F.,
[appellante sub 2],
RECYCLING ALKMAAR HOLDING B.V.,
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
grief Ien
grief IIerover klaagt dat de weergave van de feiten onder respectievelijk 2.5 en 2.15 weliswaar niet onjuist, maar incompleet is, zal het hof, voor zover relevant, daarop hierna terugkomen.
3.De beoordeling
- Het gaat om beide percelen: perceelnr. [perceel] en [perceel] , totaal 6.834 m2.
- Wat er los van het terrein bij hoort is het volgende:
grief III tot en met grief VIII– vanwege hun onderlinge verwevenheid – hierna gezamenlijk zal bespreken.
essentieelonderdeel vormde van de te sluiten koopovereenkomst tussen partijen, waarover zij in de gesprekken op 3 april 2018 en 2 mei 2018 nog geen enkele overeenstemming hadden bereikt, zodat tussen partijen op dat moment nog geen algehele overeenstemming bestond over de essentialia van de koopovereenkomst en een (perfecte) koopovereenkomst daarom nog niet tot stand was gekomen. Qurios heeft dat uit haar eigen gedragingen en met name uit die van [appellante sub 2] , in het bijzonder de door [appellante sub 2] gegeven reacties – zie met name zijn brief van 7 mei 2018, zijn e-mail van 8 mei 2018, zijn (onder 3.1 sub (xi) weergegeven) reactie op de concept-koopovereenkomst, zijn e-mail van 22 juni 2018 en zijn brief van 12 juli 2018 – in de gegeven omstandigheden ook redelijkerwijze niet mogen afleiden.
adat [appellante sub 2] van meet af aan (zie zijn brief aan [C] van 7 mei 2018) aan Qurios kenbaar heeft gemaakt dat hij zich zelf een mening wilde vormen omtrent de gewenste constructie en daartoe zelf advies inwon,
idat [appellante sub 2] vervolgens bij e-mail van 12 juli 2018, onder verwijzing naar voornoemd telefoongesprek van 9 juli 2018, het in de concept-koopovereenkomst vervatte voorstel met betrekking tot de fiscale constructie definitief heeft afgewezen en te kennen heeft gegeven op verdere onderhandelingen geen prijs meer te stellen.
gvermelde mededeling bedoelde dat in die herziene koopovereenkomst alle nadelen voor de verkoper zouden zijn verwijderd. Dit is ook aannemelijk gelet op de eerder door zijn adviseurs geformuleerde bezwaren. Op 9 juli 2018 hebben partijen vervolgens telefonisch gesproken over de, zoals Qurios het noemt, openstaande punten. Uit de e-mail van 12 juli 2018 van [appellante sub 2] volgt dat [appellante sub 2] uit dat gesprek heeft begrepen dat Qurios heeft willen vasthouden aan het door haar eerder voorgestelde fiscale regime. Weliswaar stelt Qurios dat in het telefoongesprek van 9 juli 2018 mededeling is gedaan – volgend op een gesprek over de bezwaren van [appellante sub 2] tegen het door Qurios in de concept-koopovereenkomst vervatte voorstel omtrent de te hanteren fiscale constructie – “dat een eventueel fiscaal nadeel voor rekening van Qurios komt en Qurios ook de kosten voor het ‘bouwrijp maken’ voor haar rekening neemt” (dagvaarding eerste aanleg onder 24), maar daaraan kan geen beslissende betekenis toekomen. Het betreft immers een (slechts mondelinge) mededeling die, gelet op het concrete voorstel als vervat in de artikelen 2.2 en 2.3 van de concept-koopovereenkomst, zeer algemeen geformuleerd en (dus) weinig concreet en controleerbaar voor [appellante sub 2] was, terwijl [appellante sub 2] bovendien betwist – zoals hij ter zitting van het hof uitdrukkelijk heeft verklaard en al in eerste aanleg door hem was betoogd (zie pleitnota [appellante sub 2] onder 46) – dat een dergelijke mededeling in dat telefoongesprek is gedaan en het kort geding geen ruimte laat voor nadere instructie. Dat aan die mededeling wordt gerefereerd in de e-mail van Qurios aan [appellante sub 2] van 16 juli 2018, maakt dit niet anders, reeds omdat [appellante sub 2] in zijn e-mail aan Qurios van 12 juli 2018 in het geheel niet aan die toezegging refereert en Qurios in haar genoemde e-mail van 16 juli 2018 – die een reactie is op de e-mail van [appellante sub 2] van 12 juli 2018 – niet opmerkt dat [appellante sub 2] die (beweerdelijk gedane) mededeling uit het telefoongesprek van 9 juli 2018 ten onrechte niet heeft vermeld in zijn e-mail van 12 juli 2018, hetgeen in verband met het belang dat Qurios daaraan hechtte in dat geval wel voor de hand had gelegen.