ECLI:NL:GHAMS:2019:1011
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep gezagsregeling en kinderalimentatie na beëindiging relatie ouders
Partijen hadden een relatie waaruit een kind is geboren in 2008. Na de beëindiging van hun relatie was de moeder tot de bestreden beschikking alleen belast met het ouderlijk gezag. De rechtbank had het gezag gezamenlijk gemaakt en de vader verplicht tot een kinderalimentatie van €530 per maand, terwijl de moeder een hoger bedrag van €790 had gevorderd.
De vader kwam in hoger beroep tegen de vastgestelde draagkracht en de hoogte van de alimentatie, stellende dat zijn winst uit onderneming was gedaald door het wegvallen van opdrachtgevers en gezondheidsproblemen. Het hof oordeelde dat de vader voldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn inkomen was verminderd en paste de draagkrachtberekening aan op basis van de lagere winst en netto besteedbaar inkomen.
Het hof bevestigde het gezamenlijk gezag, ondanks moeizame communicatie tussen partijen, omdat er geen onaanvaardbaar risico bestond dat het kind klem zou raken. De alimentatie werd vastgesteld op €344 per maand vanaf 1 januari 2017 en verhoogd naar €480 per maand vanaf 1 januari 2019, rekening houdend met de zorgregeling en draagkracht van beide ouders. De reeds betaalde bedragen door de vader werden in mindering gebracht.
Uitkomst: Gezamenlijk gezag bevestigd en kinderalimentatie vastgesteld op €344 per maand vanaf 2017 en €480 per maand vanaf 2019.