ECLI:NL:GHAMS:2018:636
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in geschil over aandeelhoudersovereenkomst en earn-out
In deze civiele zaak hebben appellanten, aandeelhouders van Buckaroo B.V., bij het hof hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek betrof het willen bewijzen van feiten omtrent een vermeend wilsgebrek bij de totstandkoming van de aandeelhoudersovereenkomst en de nakoming van afspraken uit de share sale and purchase agreement en de earn-out overeenkomst met Intrum Justitia.
De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat appellanten onvoldoende concreet hadden omschreven welke feiten en omstandigheden zij met het getuigenverhoor wilden bewijzen. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat het verzoek niet voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 187 lid 3 Rv Pro, omdat het feitelijk gebeuren waarop het getuigenverhoor betrekking zou moeten hebben te vaag en te ruim is omschreven.
Appellanten stelden onder meer dat Intrum Justitia niet van plan was de gemaakte afspraken na te komen en dat er sprake was van wanprestatie en onrechtmatige daad. Echter, zij hebben niet duidelijk gemaakt welke feiten zij willen bewijzen en welke getuigen daarover kunnen verklaren. Ook is niet helder welke concrete afspraken niet zouden zijn nagekomen.
Het hof oordeelt dat toewijzing van het verzoek zou leiden tot een te ruim en ongericht onderzoek, wat niet is toegestaan bij een voorlopig getuigenverhoor. Daarom wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en blijft het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wegens onvoldoende concreet omschreven feiten.