ECLI:NL:GHAMS:2018:577
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheidsverweer en verrekening bij converteerbare lening afgewezen in kort geding
In deze zaak gaat het om een geschil tussen B.R. Investments B.V. (BRI) en Middenmeer B.V. over een converteerbare lening van € 200.000,- verstrekt door Middenmeer aan BRI in 2015. Middenmeer vorderde betaling van een deel van deze lening en legde executoriaal beslag op aandelen van BRI.
De voorzieningenrechter in eerste aanleg achtte zich bevoegd en wees de vordering van Middenmeer toe. BRI kwam in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd was en dat de vordering ongeschikt was voor kort geding vanwege de complexiteit van de onderliggende overeenkomsten.
Het hof oordeelde dat het forumkeuzebeding irrelevant was nu de rechtbank Amsterdam zich bevoegd had verklaard en dat het geschil in hoger beroep door het hof kon worden behandeld. Het hof vond dat de geldvordering onvoldoende aannemelijk was vanwege de complexiteit en mogelijke verrekening met andere overeenkomsten tussen partijen. Ook de vorderingen tot overdracht van intellectuele eigendomsrechten werden afgewezen wegens onvoldoende concreetheid en spoedeisend belang.
Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter, wees de vorderingen van Middenmeer af en veroordeelde Middenmeer in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van Middenmeer af en veroordeelt haar in de kosten van beide instanties.