ECLI:NL:GHAMS:2018:5048

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2018
Publicatiedatum
5 maart 2019
Zaaknummer
23-004003-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 378a Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in hoger beroep oplichting wegens ontbreken opzet

In hoger beroep is de verdachte terechtzitting ondergaan wegens de tenlastelegging dat zij haar bankrekening en bankpas ter beschikking zou hebben gesteld aan een onbekende persoon die daarmee frauduleus geld zou hebben opgenomen. De verdachte verklaarde dat zij haar bankpas en pincode aan een goede vriend had gegeven die haar had gevraagd tijdelijk geld op haar rekening te storten.

De advocaat-generaal vorderde een voorwaardelijke geldboete, maar het hof heeft op basis van de inhoud van het procesdossier en de ter zitting gedane verklaringen niet de overtuiging gekregen dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest. De verdachte kende de aangever als een goede vriend en het hof acht aannemelijk dat zij naïef is geweest en misbruikt is.

Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en spreekt de verdachte vrij omdat het ten laste gelegde niet bewezen is. De verdachte wordt niet veroordeeld en blijft vrij van strafrechtelijke gevolgen.

De uitspraak benadrukt het belang van overtuigend bewijs voor opzet en behulpzaamheid bij oplichting en erkent dat het ter beschikking stellen van een bankrekening niet automatisch schuld impliceert als sprake is van vertrouwen en misbruik daarvan.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van overtuigend bewijs van opzettelijke behulpzaamheid.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004003-17
datum uitspraak: 12 december 2018
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van
de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-221540-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 november 2018.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
dat een of meerdere (onbekende) personen op of omstreeks 27 november 2014, althans in of omstreeks de maand november 2014, te Schagen en/of Rotterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 1.000,- euro, althans een geldbedrag (afkomstig van de rekening van gedupeerde [aangever]), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat voorwerp gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl deze bovengenoemde personen wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middelijk – afkomstig was uit enig misdrijf,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, toen te Kerkrade, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest
- door een op haar naam staand bankpasje van de Rabobank (rekeningnummer [rekeningnummer]) een (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) af te staan en/of haar bankrekeningnummer aan een onbekend gebleven persoon kenbaar te maken, die (vervolgens) voornoemd geldbedrag op haar, verdachte’s, rekening kon(den) storten
- waarbij (vervolgens) door verdachte en/of die onbekende personen een geldbedrag van in totaal
1.000,- euro, althans een geldbedrag, van die rekening opgenomen kon worden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00 met een proeftijd van twee (2) jaren.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet
de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Aangever is slachtoffer geworden van oplichting, waarbij door middel van een phishing-mail geld van hem werd weggesluisd en tijdelijk geparkeerd op de bankrekening van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat zij anderhalf jaar eerder via een chatsite ene [aangever] had ontmoet, en op een gegeven moment met hem heeft afgesproken. [aangever] was een goede vriend en stond altijd voor haar klaar. Rond 19 november 2014 kwam [aangever] bij haar langs en zei dat hij veel cash geld had. Hij vroeg of hij haar bankpas mocht lenen om het geld tijdelijk op haar rekening te zetten. Zij heeft hem toen haar bankpas gegeven en de pincode. Ze had goed vertrouwen in [aangever].
Anders dan de advocaat-generaal heeft het hof op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet de overtuiging bekomen dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door haar rekening ter beschikking te stellen, temeer nu zij [aangever] al een tijdje kende en hij een goede vriend van haar was. Het hof overweegt hiertoe dat veeleer moet worden aangenomen dat misbruik is gemaakt van de (uit het dossier naar voren komende) naïviteit van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. S. Clement, en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van
mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 december 2018.
=========================================================================
[…]