ECLI:NL:GHAMS:2018:5028

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 november 2018
Publicatiedatum
26 februari 2019
Zaaknummer
23-002556-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis invoer cocaïne ondanks verweer verdachte over onschuld

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 juli 2018, waarin hij werd veroordeeld voor de invoer van cocaïne. Het hof heeft het vonnis bevestigd en het bewijs aangevuld met een nauwkeuriger tijdstip en locatie van de bevindingen op 4 maart 2018.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had op de invoer van cocaïne en stelde dat anderen mogelijk de drugs in zijn koffer hadden geplaatst vanwege een vermeende rol van verdachte bij onderhandelingen over een goudmijn. Het hof achtte deze stelling onvoldoende onderbouwd en verwierp deze als ongeloofwaardig.

Daarnaast werden berichten tussen verdachte en een ander besproken, waarvan verdachte stelde dat deze betrekking hadden op goudmijnonderhandelingen. Het hof concludeerde echter dat deze berichten waarschijnlijk verwezen naar de drugstransporten, gelet op de timing vlak voor de vlucht naar Nederland en Italië.

Omdat het hof de verklaringen van verdachte niet geloofde, verwierp het het verweer en bevestigde het het vonnis van de rechtbank. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 november 2018.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt verdachte voor invoer van cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002556-18
datum uitspraak: 30 november 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-043906-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres],
thans gedetineerd in [locatie 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 augustus 2018, 16 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
  • een bewijsmiddel aanvult, en
  • aanvullende overwegingen ten aanzien van de bewezenverklaring opneemt.

Aanvulling bewijsmiddel

De rechtbank heeft als eerste bewijsmiddel opgenomen een proces-verbaal van bevindingen en overdracht van 4 maart 2018 (pagina 10 e.v.). Het hof vult het bewijsmiddel aan, in die zin dat achter de woorden “4 maart 2018” als tijdstip “omstreeks 15.30 uur” wordt opgenomen en vóór de door de rechtbank in dat bewijsmiddel opgenomen tekst de volgende zin uit het proces-verbaal wordt opgenomen:
‘Locatie: [locatie 2]’.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken omdat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, op de invoer van de cocaïne.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft gesuggereerd dat anderen mogelijk cocaïne in zijn koffer hebben gestopt. Die onbekende personen zouden hem willen hebben uitschakelen vanwege zijn rol bij onderhandelingen over de koop van een goudmijn. De door de verdachte overgelegde stukken zijn volstrekt onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij bij een dergelijke koop betrokken is geweest of dat het in het belang van wie dan ook zou zijn om de verdachte uit te schakelen, laat staan dat dat belang er iemand toe zou hebben gebracht de cocaïne in de koffer van de verdachte te stoppen. Het hof schuift die suggestie van de verdachte dan ook terzijde.
De verdachte heeft gezegd dat de als bewijsmiddel opgenomen berichtjes, die zijn uitgewisseld tussen de verdachte en een ander, betrekking zouden hebben op onderhandelingen over de koop van een goudmijn. Het hof acht die verklaring niet geloofwaardig gelet op het tijdstip van de berichten. In de berichten aan de verdachte op 3 maart 2018 wordt gezegd ‘Ik ben aan het regelen met mijn mensen zodat morgen de dingen goed gaan’ en ‘Morgen halen we je op oké. Rust daar uit om de klus te beginnen’. 3 en 4 maart waren de dagen van de vlucht - via een overstap in Lima - naar Nederland en de doorreis naar Italië. Het is daarom veel waarschijnlijker dat de berichten betrekking hadden op ‘de klus’ van het vervoeren van de cocaïne dan dat deze betrekking hadden op onderhandelingen, waarvan de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat die (pas) op 8 en 10 maart zouden plaatsvinden. Het hof schuift de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde.
Het verweer van de raadsman gaat uit van de juistheid van de verklaringen van de verdachte. Omdat het hof de verdachte niet gelooft, verwerpt het hof het verweer.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. N.A. Schimmel en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 november 2018.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002556-18
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 16 november 2018.
Tegenwoordig zijn:
mr. R.D. van Heffen, raadsheer,
mr. A.N. Biersteker, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Spruijt, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De verdachte heeft
welafstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.