ECLI:NL:GHAMS:2018:4805
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging erkenning schuld en afwijzing herroeping kredietovereenkomst
Appellante is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 28.554,94 aan ABN AMRO Bank N.V. De vordering betreft een kredietovereenkomst uit 2005 waarop de Wet op het consumentenkrediet van toepassing is. Appellante betwistte dat zij de vordering heeft erkend en voerde een beroep op herroeping wegens dwaling aan.
Het hof overweegt dat uit de aantekeningen van de rolzitting blijkt dat appellante uitdrukkelijk en ondubbelzinnig de achterstand in betaling heeft erkend. Haar stellingen over een taalbarrière en onduidelijkheid over het gevorderde bedrag zijn onvoldoende concreet en feitelijk onderbouwd. Het bewijsaanbod wordt daarom niet gehonoreerd.
Het beroep op herroeping wegens dwaling wordt verworpen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door een misverstand tot erkenning is gekomen. De dagvaarding vermeldde duidelijk de hoofdsom, rente en verrichte betalingen. Appellante kon geen correspondentie overleggen die haar stelling ondersteunt.
Daarmee faalt het hoger beroep en wordt het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van ABN AMRO toe wegens erkende schuld.