Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak heeft MBA hoger beroep ingesteld tegen een kortgedingvonnis van de kantonrechter dat het concurrentiebeding tussen MBA en [geïntimeerde] gedeeltelijk schorst. [geïntimeerde] trad in april 2016 in dienst bij MBA als Business Developer met een concurrentiebeding dat onder meer een verbod op concurrerende werkzaamheden omvatte.
De kantonrechter oordeelde dat MBA onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat [geïntimeerde] over bijzondere kennis beschikte die het bedrijfsbelang van MBA buiten het specifieke werkterrein van financiële branche gericht op IT-profielen zou kunnen schaden. Daarom werd het concurrentiebeding geschorst behalve voor dat specifieke werkterrein.
Het hof bevestigde dat [geïntimeerde] kort na het vonnis bij Finaxe in dienst is getreden en dat MBA onvoldoende concreet had toegelicht dat haar werkwijze zodanig uniek was dat [geïntimeerde] een ongerechtvaardigde voorsprong zou hebben. Het hof volgde het oordeel van de kantonrechter dat het concurrentiebeding slechts voor het specifieke werkterrein in stand kan blijven. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het concurrentiebeding verder strekkend onbillijk is voor [geïntimeerde].
MBA werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam op 23 oktober 2018.
Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt gedeeltelijk geschorst, met uitzondering van het werkterrein financiële branche gericht op IT-profielen.