Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Partijen waren vennoten in een vennootschap onder firma (v.o.f.) die per 13 december 2013 is geëindigd. De appellant heeft het bedrijf voortgezet en er ontstond onenigheid over de afwikkeling van opbrengsten en kosten na het einde van de v.o.f.
De rechtbank stelde vast dat de appellant gerechtigd was het bedrijf voort te zetten en dat de opbrengsten aan hem toekwamen, met een vergoeding aan de geïntimeerde voor haar werkzaamheden. De geïntimeerde vorderde daarnaast schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen en vrijwaring voor een vordering van verzekeraar VGZ, maar deze vorderingen werden afgewezen.
In hoger beroep werden diverse grieven besproken. Het hof onderschreef het oordeel dat de opbrengsten aan appellant toekomen minus de vergoeding voor geïntimeerde. De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad werd verworpen omdat de geïntimeerde geen recht had het bedrijf voort te zetten. De vordering tot vrijwaring voor VGZ-vordering werd afgewezen wegens strijd met goede procesorde.
Het hof oordeelde dat de geïntimeerde €16.397 aan appellant moet betalen en verklaarde deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Voor het overige werd het vonnis bekrachtigd en ieder draagt eigen kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €16.397 aan appellant, met bekrachtiging van het vonnis voor het overige.