In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het gerechtshof Amsterdam het eerdere vonnis vernietigd omdat dit slechts een aantekening betrof. De verdachte werd ervan beschuldigd op 19 juli 2017 in Amsterdam opzettelijk verdovende middelen, namelijk cocaïne en MDMA, te vervoeren.
Tijdens de zittingen in hoger beroep op 18 april en 22 juni 2018 heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat de verdachte niet degene was die een wikkel met verdovende middelen aan een toerist aanbood en dat de aangetroffen middelen door de verdachte op straat gevonden zouden zijn. Het hof oordeelde echter dat de verklaringen van de verbalisanten duidelijk en consistent waren en dat sprake was van vervoer van de middelen door de verdachte.
Het hof achtte het onaannemelijk dat de verdachte dacht dat het marihuana betrof, gezien de uiterlijke kenmerken van de middelen en zijn eigen verslaving aan marihuana. De verkoop aan de toerist bleef onbeantwoord, maar het vervoer werd bewezen verklaard.
De politierechter had een geldboete van €500 opgelegd, subsidiair 10 dagen hechtenis. Het hof bevestigde deze straf, rekening houdend met de ernst van de feiten, de schadelijkheid van harddrugs, de maatschappelijke impact en het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld. De boete mag in vijf termijnen van €100 worden voldaan.