Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellante sub 1] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
1.Het geding na verwijzing door de Hoge Raad
2.Feiten
2.3. De woningen van partijen bestaan uit drie woonlagen. De woning van [geïntimeerden] beschikt over een uitbouw waarvan de buitenmuur, krachtens een erfdienstbaarheid “van fundering en een daarop te bouwen muur” op het erf van [appellanten] staat. De tweede verdieping van de woningen van partijen is aan de voorzijde bebouwd, de achterzijde is plat dak.
2.4. [appellanten] hebben in 2005 een bouwvergunning gevraagd en verkregen voor het plaatsen van een “opbouw” op het platte dak van de eerste verdieping van hun woning (hierna: de dakopbouw). Bij aangetekende brief van 2 januari 2006 hebben [geïntimeerden] aan [appellanten] geschreven dat zij geen toestemming verlenen volledig te bouwen op de muur respectievelijk dat zij geen toestemming verlenen voor erfgrensoverschrijdende bouw. Bij brief van 23 februari 2006 hebben [geïntimeerden] aan de rechtsbijstand-verzekeraar van [appellanten] gevraagd om een bevestiging dat [appellanten] geen erfgrensoverschrijdende bouwactiviteiten zullen verrichten.
2.5. Op 28 februari 2006 is de bouw van de dakopbouw gestart. De bouw heeft vijf tot acht weken geduurd. De dakopbouw beslaat de breedte van de woning van [appellanten]