ECLI:NL:GHAMS:2018:1817
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst studentenflat en onrechtmatige daad verhuurder
De zaak betreft een geschil tussen een huurder van een studentenflat en de verhuurder over het einde van de huurovereenkomst en vermeende onrechtmatige daad. De huurder werd door medehuursters beschuldigd van aanranding, waarna de verhuurder een gesprek organiseerde met politieagenten. Tijdens dit gesprek werd de huurder gewezen op mogelijke aangifte en een ontruimingsprocedure.
De huurder vorderde schadevergoeding wegens vermeende chantage door de verhuurder, die dreigde met aangifte en ontruiming, waardoor hij zich gedwongen voelde de flat te verlaten. De verhuurder vorderde betaling van achterstallige huur. De kantonrechter wees de vordering van de huurder af en kende de vordering van de verhuurder toe.
In hoger beroep oordeelde het hof dat de verhuurder niet onrechtmatig heeft gehandeld door de huurder te informeren over mogelijke rechtsmaatregelen. De huurovereenkomst is niet door de huurder opgezegd, noch door de verhuurder, maar is met wederzijdse instemming beëindigd op 15 juli 2014. De huur over juni 2014 is volledig verschuldigd, maar vanaf 15 juli 2014 niet meer. De vordering van de verhuurder voor achterstallige huur werd daarom afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Huurovereenkomst is met wederzijdse instemming beëindigd op 15 juli 2014; vordering verhuurder tot achterstallige huur afgewezen.