ECLI:NL:GHAMS:2018:1459

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 april 2018
Publicatiedatum
30 april 2018
Zaaknummer
13/701386-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 SvArt. 67a Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorlopige hechtenis ondanks formele gebreken in bevel gevangenneming

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van een verdachte tegen het bevel tot voorlopige hechtenis van de rechtbank Amsterdam. Hoewel het bevel tot gevangenneming niet was ondertekend door de rechter en de gronden van de voorlopige hechtenis ontbraken, oordeelde het hof dat dit geen nietigheid opleverde en dat de belangen van de verdachte voldoende waren gewaarborgd. De beslissing tot voorlopige hechtenis was immers ter terechtzitting genomen en correct vastgelegd in het mondeling vonnis.

Het hof constateerde dat de gronden wel waren aangekruist op het vertaalde bevel, en dat de verdachte niet in enig belang was geschaad door de formele tekortkomingen. Het hof achtte bovendien het vluchtgevaar aanwezig, omdat de verdachte zich ook elders in Europa had opgehouden en het onduidelijk was of hij in Roemenië verbleef en voor justitie bereikbaar was.

Het verzoek van de verdachte tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen omdat het belang van maatschappelijke veiligheid zwaarder woog dan het belang van de verdachte bij invrijheidstelling. Het hof bevestigde daarmee de beslissing van de rechtbank en wees het hoger beroep en het verzoek tot schorsing af.

Uitkomst: Het hof bevestigt het bevel tot voorlopige hechtenis en wijst het verzoek tot schorsing af ondanks formele gebreken in het bevel tot gevangenneming.

Uitspraak

13/701386-18
GERECHTSHOF AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKINGin raadkamer op het hoger beroep in de zaak van
[naam] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans verblijvende in het huis van bewaring [gedetineerd] ,
tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2018, houdende bevel tot zijn gevangenhouding.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam van
12 maart 2018, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van die rechtbank.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte, mr. N. El Farougui, die de zaak heeft overgenomen van haar kantoorgenote mr. M.R.F. van Raab van Canstein.

De beoordeling

Het hof verenigt zich met de beslissing waarvan beroep en de gronden waarop deze berust.
Het hof stelt vast dat het bevel gevangenneming niet door de rechter die daartoe heeft beslist is ondertekend en niet de gronden van de voorlopige hechtenis bevat. Op grond van artikel 78, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is ondertekening wel vereist, maar dit voorschrift is niet bedreigd met nietigheid. Het hof overweegt verder dat de belangen van de verdachte voldoende zijn gewaarborgd nu niet in geschil is dat de beslissing ter terechtzitting is genomen. Dit is in de aantekening van het mondeling vonnis (AMV) opgenomen. De AMV is wel ondertekend door de politierechter. Het hof stelt verder vast dat de gronden wel waren aangekruist op het vertaalde bevel tot gevangenneming. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte door deze gang van zaken in enig belang is geschaad. Het hof zal aan het hiervoor geconstateerde verzuim daarom geen consequenties verbinden.
Het hof acht vluchtgevaar aanwezig nu uit het dossier blijkt dat de verdachte zich ook elders in Europa heeft opgehouden en daarom niet duidelijk is dat hij daadwerkelijk in Roemenië verblijft en aldaar voor justitie te vinden is.
Het hof is van oordeel dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv zich thans niet voordoet. Weliswaar is door de raadsman gewezen op de LOVS-oriëntatiepunten, maar daaruit valt niet af te leiden dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis in het kader van dit bevel heeft doorgebracht evident buiten de bandbreedte valt van straffen die door de rechter in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Met betrekking tot het door de verdachte mondeling gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis geldt dat dit verzoek moet worden afgewezen, omdat hetgeen is aangevoerd onvoldoende is om het belang dat de verdachte heeft bij zijn invrijheidstelling te 13/701386-18
laten prevaleren boven de gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid.

De beslissing

Het hof:
WIJST AF het beroep tegen de bestreden beslissing.
WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze beschikking is gegeven op 11 april 2018 in raadkamer van dit hof door
mr. J. Piena, voorzitter,
mrs. J.L. Bruinsma en M. Senden, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 11 april 2018,
de advocaat-generaal