De appellant verzocht om een vergoeding van €105 voor een dag verzekering op het politiebureau, naar aanleiding van een strafzaak die op 4 september 2014 werd geseponeerd omdat hij ten onrechte als verdachte was aangemerkt.
De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank had het verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na beëindiging van de zaak was ingediend. Het hof oordeelde echter dat de termijn pas begint te lopen vanaf het moment dat de appellant redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de sepotbeslissing.
Uit het bewijs bleek dat de sepotbrief weliswaar op 4 september 2014 was aangemaakt en verzonden naar het toenmalige adres van de appellant, maar dat niet kon worden vastgesteld dat de brief daadwerkelijk was ontvangen. De appellant werd pas op 18 december 2015 door zijn advocaat geïnformeerd over de sepotbeslissing. Het hof achtte daarom de termijn niet overschreden en verklaarde appellant ontvankelijk.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende de vergoeding van €105 toe wegens de ondergane verzekering. De beschikking werd onverwijld betekend aan de appellant.