Uitspraak
mr. R.J.R.M. de Bok, kantoorhoudende te Rotterdam,
mrs. F.M. Peters,
M.D. Hazenbergen
A.J. van Wees, kantoorhoudende te Amsterdam,
mrs. R.C. de Molen
M.H.J. van Rest, kantoorhoudende te Den Haag.
Het verloop van het geding
2 De feiten
uw cliënt het recht heeft deel te nemen aan aandeelhoudersvergaderingen en daar vragen te stellen. Recht op informatie buiten de AvA, zeker van het detailniveau zoals die nu in 50-voud gesteld worden, heeft uw cliënt niet. Kennelijk wil uw cliënt een inhaalslag maken. Ik zal daar eenmalig aan meewerken, en ik beantwoord deze vragen nu, en voor zover uw cliënt meer wil weten kan hij aanschuiven bij de AvA en daar verdere vragen stellen. (…) Hoewel uw cliënt dit kennelijk als anders ervaart, herken ik de verstoorde relatie binnen de vennootschappen niet. Het lijkt erop dat uw cliënt, [A] , herstel van de zogenaamde vertrouwensbreuk en herstel van de verhoudingen wenst, door de bestuurder van de vennootschap tegemoet te laten komen aan zijn wensen. Dat is echter niet de positie die uw cliënt kan innemen. Het bestuur van de vennootschappen dient zich (wanneer dat is voorgeschreven) te richten naar de besluiten van de aandeelhoudersvergadering. Uw cliënt heeft daar geen stem in. Enkel [E] heeft het stemrecht in de aandeelhoudersvergadering. Als bestuurder van de vennootschappen zie ik echter graag iedereen tevreden. Ik stel daarom voor om tijdens de aankomende aandeelhoudersvergaderingen de zorgen van uw cliënt te bespreken en te praten over de gestelde vragen. Aangezien het [A] zelf is die de verhoudingen kennelijk verstoor[d] acht, lijkt het mij van belang dat hij ook zelf in persoon aanwezig is bij de aankomende aandeelhoudersvergadering. Zodoende kan hij daar zijn zorgen uiten (…)
3.De gronden van de beslissing
bespreking van resultaten” in een kolom met verschillen tussen 2014 en 2015 een fout staat: het betreffende verschil tussen 246 en 134 is 112, en niet zoals daar staat 106. [F] hebben er in hun verweer op gewezen dat deze rekenfout reeds tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van [C] van 22 augustus 2016 aan de orde is gesteld (blijkens productie 16 c bladzijde 2 onder 4 III bij verzoekschrift). [G] heeft dit vervolgens uitgezocht en in de notulen van die vergadering een opmerking gemaakt inhoudende dat de cijfers in de betreffende kolom volledig aansluiten bij de jaarrekening en dat alleen in de vergelijkingskolom onjuistheden staan, die de juistheid van de jaarrekening niet raken. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer betreft de vermelding van 106 in plaats van 112 inderdaad een rekenfout die is uitgezocht en reeds in augustus 2016 aan [A] is toegelicht. Dat die toelichting onjuist zou zijn is gesteld noch gebleken. Discrepanties in de jaarrekening 2015 die [A] ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld, zijn door [F] toegelicht. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de jaarrekeningen door een accountant zijn gecontroleerd en deugdelijk zijn. De discrepanties betreffen punten die geen afbreuk kunnen doen aan de juistheid van de jaarrekeningen. De Ondernemingskamer constateert dat de bezwaren van [A] met betrekking tot de jaarrekeningen deels een voldoende feitelijke grondslag ontberen en voor het overige van te ondergeschikte betekenis zijn om te kunnen spreken van gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de vennootschappen te twijfelen.
een rotzooi” van maakt. Deze uitingen missen iedere feitelijke grondslag en dienen geen inhoudelijk doel. Dergelijke uitingen kunnen slechts leiden tot (verdere) verslechtering van de onderlinge verhoudingen. Dat heeft echter voor deze procedure niet het door [A] beoogde effect. [A] staat als blooteigenaar op afstand van de vennootschappen. De slechte verstandhouding, waaraan de namens hem gedane uitingen slechts verder bijdragen, kan geen gegronde reden opleveren om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [F] te twijfelen.