ECLI:NL:GHAMS:2017:4877
Gerechtshof Amsterdam
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na inverzekeringstelling wegens hennepplantage verdenking
Appellante werd op 13 november 2013 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van artikel 3 van Pro de Opiumwet, nadat in een woning hennepresten en een hennepplantage werden aangetroffen. Zij verklaarde dat zij bezig was met het schoonmaken van kweekbakken in een bad, wat de verdenking tegen haar rechtvaardigde.
Na ongeveer 48 uur werd zij strafvorderlijk vrijgelaten, maar overgedragen aan de vreemdelingendienst vanwege vermoedens omtrent haar verblijfsstatus. De strafzaak werd uiteindelijk geseponeerd zonder strafoplegging. Appellante vorderde een schadevergoeding van €210,- wegens de inverzekeringstelling.
De rechtbank wees dit verzoek af met de motivering dat een veroordeling niet ondenkbaar was geweest. Het hof oordeelde dat deze motivering in strijd was met de onschuldpresumptie, maar dat dit niet tot een andere uitkomst leidde. Het hof overwoog dat bij het billijkheidsoordeel rekening moet worden gehouden met de verdenking en de houding van de verdachte.
Gezien de omstandigheden, de korte duur van de inverzekeringstelling en het feit dat de sepotbeslissing om beleidsmatige redenen laat werd genomen, achtte het hof geen gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.