ECLI:NL:GHAMS:2017:4813

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 mei 2017
Publicatiedatum
22 november 2017
Zaaknummer
23-003128-16
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken valse hoedanigheid bij oplichting in horecagelegenheid

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam inzake oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte had in een horecagelegenheid consumpties besteld en probeerde deze met een pinpas te betalen, maar beschikte niet over voldoende saldo. Verdachte verzocht daarop om plaats te nemen op het terras en verklaarde later te willen proberen geld op te nemen van een spaarrekening.

De advocaat-generaal vorderde een veroordeling, stellende dat verdachte zich van aanvang als betalende klant had voorgedaan. De verdediging stelde dat de ondergrens van oplichting niet was gehaald omdat het opzet om niet te betalen niet vooraf aanwezig was.

Het hof oordeelde dat niet is gebleken dat verdachte zich valselijk als bonafide klant heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat hij niet kon betalen, leidt niet tot het aannemen van een valse hoedanigheid. Er waren geen specifieke gedragingen die erop gericht waren het horecabedrijf te misleiden. Het hof sprak verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs van oplichting.

Daarnaast wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere gevangenisstraf af, aangezien verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 mei 2017.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van het aannemen van een valse hoedanigheid bij oplichting.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003128-16
datum uitspraak: 30 mei 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-702210-16 en 15-700548-12 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Vught PPC te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 01 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, horecabedrijf [naam] en/of [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van vier, in elk geval een of meer fles(sen) pils en/of een borrelhap, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in dat horecabedrijf en/of bij die Von der Mohlen een borrelhap en/of die fles(sen) pils besteld en/of zich daarbij voorgedaan als betalende klant, waardoor dat horecabedrijf en/of bij die Von der Mohlen werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing omtrent de bewijsvraag komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vrijspraak

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep gevraagd de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat ‘de ondergrens van oplichting niet wordt gehaald’, omdat de opzet om niet voor de bestelde eet- en drinkwaren te betalen, niet van te voren aanwezig was.
De advocaat-generaal heeft gesteld dat de verdachte zich van aanvang aan heeft voorgedaan als betalende klant en dus een valse hoedanigheid heeft aangenomen.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tot koop en levering van eet- en drinkwaren, in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide en kredietwaardige klant.
De verdachte heeft bij horecabedrijf [naam] vier (glazen) bier en een borrelhap besteld. Toen de verdachte het daarvoor verschuldigde bedrag van € 18,40 met behulp van een bankpas elektronisch wilde betalen, is gebleken dat hij hiertoe niet over voldoende saldo beschikte op de aan de pinpas gekoppelde betaalrekening. De eigenaar van het horecabedrijf [naam] heeft daarop de verdachte verzocht om plaats te nemen op het terras. De verdachte heeft dit in eerste instantie ook gedaan maar is vervolgens weggelopen om, naar eigen zeggen, op zoek te gaan naar een geldautomaat.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte nog verklaard dat hij op een spaarrekening wel over voldoende saldo beschikte en bij een geldautomaat wilde trachten vanaf die rekening geld op te nemen of over te boeken om het verschuldigde bedrag te betalen.
Met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen.
De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een valselijke presentatie als bonafide wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. De enkele omstandigheid dat de verdachte niet kon betalen leidt niet tot de conclusie dat de verdachte zich van stond af aan valselijk heeft voorgedaan als bonafide klant en zo een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Dat de verdachte al voorafgaand aan zijn bestellingen wist dat hij niet over voldoende geld of saldo beschikte om zijn consumpties te voldoen, blijkt niet uit het dossier.
Nu ook overigens niet is gebleken dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de verschillende tenlastegelegde oplichtingsmiddelen is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging

De advocaat-generaal heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 21 augustus 2012 in de zaak met parketnummer 15/700548-12, opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, voor een gedeelte van twee weken met een toevoeging van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich moet laten opnemen in het Forensisch Psychiatrisch Centrum De Kijvelanden. Voorts vordert de advocaat-generaal de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 8 juli 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2012, parketnummer 15-700548-12, opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaren.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. R.D. van Heffen en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
30 mei 2017.