ECLI:NL:GHAMS:2017:4292

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 september 2017
Publicatiedatum
24 oktober 2017
Zaaknummer
23-002860-14
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet werk en bijstandArt. 422 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bijstandsfraude door onduidelijkheid hoofdverblijf

De verdachte werd beschuldigd van bijstandsfraude door het niet tijdig verstrekken van juiste verblijfsgegevens aan de Dienst Werk en Inkomen, waardoor hij mogelijk ten onrechte een uitkering ontving. De periode van belang liep van 6 april 2010 tot en met 11 mei 2011, waarin werd betwist of de verdachte zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres in Amstelveen.

In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld, maar in hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en tot een andere beslissing gekomen. De advocaat-generaal had een taakstraf geëist op basis van verklaringen van getuigen die stelden dat de verdachte niet op het uitkeringsadres verbleef. De verdediging voerde aan dat de getuigen onvoldoende zicht hadden op de situatie en dat de verdachte wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het adres in Amstelveen.

Het hof oordeelde dat de getuigenverklaringen onvoldoende concreet en eenduidig waren, en dat niet duidelijk was of deze betrekking hadden op de relevante periode. De verklaring van de verdachte en het bewijs van postontvangst en bankafschriften ondersteunden zijn stelling. Ook waren er meerdere controles geweest die bevestigden dat hij woonachtig was op het adres in Amstelveen.

Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak het hof de verdachte vrij van het ten laste gelegde. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door vrijspraak uit te spreken.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002860-14
datum uitspraak: 12 september 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-690074-11 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode vanaf 06 april 2010 tot en met 11 mei 2011 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of IJlst, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam en/of Amstelveen, immers heeft hij, verdachte, (in die periode en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hij niet op het uitkeringsadres verbleef en/of had verbleven, althans niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en/of heeft gehad, zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Volgens de advocaat-generaal had de verdachte niet zijn hoofdverblijf op het opgegeven uitkeringsadres in Amstelveen en zij baseert zich daarbij op de verklaringen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 2] te Amstelveen. Volgens de raadsman hebben de getuigen onvoldoende zicht gehad op wat zich in huize [verdachte] afspeelde en kunnen deze niet tot bewijs leiden van het tenlastegelegde. De verdachte ontving post op voornoemd adres en uit de bankafschriften blijkt dat de verdachte veelvuldig pinde in Amstelveen. Daar komt volgens de raadsman bij dat een motief ontbreekt voor het ten onrechte opgeven van een verblijf in Amstelveen, aangezien de verdachte in IJlst een hogere bijstandsuitkering ontving. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat gedurende de periode dat de verdachte een uitkering had in Amstelveen er meerdere controles voor het recht op bijstand hebben plaatsgevonden en dat de conclusie telkens was dat de verdachte woonachtig was op het adres [adres 2] te Amstelveen.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte had tussen januari en april 2010 zijn verblijf in IJlst. In de periode van 6 april 2010 tot 11 mei 2011 stond hij ingeschreven op het adres [adres 2] te Amstelveen, waar zijn moeder woonde.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij vanaf april 2010 zijn hoofdverblijf ook daadwerkelijk bij zijn moeder in Amstelveen heeft gehad. De door de advocaat-generaal bedoelde getuigenverklaringen zijn niet eenduidig en onvoldoende concreet gedetailleerd. Niet altijd is duidelijk of zij betrekking hebben op de periode voor of na april 2010. Gelet voorts op de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaringen, waaronder zijn toelichting waarom hij in die periode ook vaak in IJlst was, is mogelijk dat bij getuigen de onjuiste indruk is ontstaan dat de verdachte niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in Amstelveen in de periode 6 april 2010 tot en met 11 mei 2011. Dit is dan ook niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan.
Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 september 2017.
Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]