ECLI:NL:GHAMS:2017:4292
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bijstandsfraude door onduidelijkheid hoofdverblijf
De verdachte werd beschuldigd van bijstandsfraude door het niet tijdig verstrekken van juiste verblijfsgegevens aan de Dienst Werk en Inkomen, waardoor hij mogelijk ten onrechte een uitkering ontving. De periode van belang liep van 6 april 2010 tot en met 11 mei 2011, waarin werd betwist of de verdachte zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres in Amstelveen.
In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld, maar in hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en tot een andere beslissing gekomen. De advocaat-generaal had een taakstraf geëist op basis van verklaringen van getuigen die stelden dat de verdachte niet op het uitkeringsadres verbleef. De verdediging voerde aan dat de getuigen onvoldoende zicht hadden op de situatie en dat de verdachte wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het adres in Amstelveen.
Het hof oordeelde dat de getuigenverklaringen onvoldoende concreet en eenduidig waren, en dat niet duidelijk was of deze betrekking hadden op de relevante periode. De verklaring van de verdachte en het bewijs van postontvangst en bankafschriften ondersteunden zijn stelling. Ook waren er meerdere controles geweest die bevestigden dat hij woonachtig was op het adres in Amstelveen.
Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak het hof de verdachte vrij van het ten laste gelegde. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door vrijspraak uit te spreken.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.