Uitspraak
1.1. BRAPLAN I B.V.,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
PLAMIN I B.V.,
[geïntimeerde 4],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
PROTIN I B.V.,
gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,
[geïntimeerde 6],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Grief 1(genummerd als 1.1) is gericht tegen een onderdeel van deze feitenvaststelling. Voor zover nodig zal het hof daarmee in het onderstaande rekening houden. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn gebleken uit de niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen, komen de feiten neer op het volgende.
€ 40.000.000,-. Dit zal opleveren een dekking AK van € 1.700.000,-. Het is vanwege dit toegezegde bouwvolume dat de grondeigenaren tot verkoop/inbreng hebben besloten. Indien onverhoopt een belangrijk deel van het bouwvolume zou wegvallen, bijvoorbeeld zoals nu in Saendelft is gebeurd, dan zit [v.o.f. 1] met een probleem. Althans dan had men achteraf deze deal niet zo moeten sluiten. Het ligt voor de hand om in het geval van wegvallend bouwvolume in De Draai, een bepaling op te nemen dat dit bouwvolume tot € 40.000.000, door KB elders wordt gecompenseerd. De aanpassing/inpassing van deze compensatieregeling in de overeenkomst wil ik graag met u bespreken.
Bijgesloten de laatste versies van de overeenkomsten waarover wij gisteren spraken. Aan de hand van de laatste ontwikkelingen met de gemeente Heerhugowaard zal de afname van gronden nog aangepast moeten worden. Evenzo zal ik de overeenkomsten hier intern ook nog de revue laten passeren.
nadataan alle opschortende voorwaarden c.q. ontbindende voorwaarden is voldaan. Dit laatste staat dan weer haaks op artikel 8.1., waarin een ontbindende voorwaarde is opgenomen die waarschijnlijk de reden is voor overdracht door middel van een Groninger akte. Ik krijg dit graag verduidelijkt.
Ik denk gezien jullie voornemen om [v.o.f. 1] over te gaan dragen (…) dat het handig is als wij voor dat moment dit traject ook nog afronden. (…) Kan jij hier aandacht voor maken?”
Deze ontwikkeling zou invulling moeten geven aan de bouwclaim van [v.o.f. 1] voortvloeiend uit de aankoop van grond in 2012 door de gemeente ten behoeve van de aanleg van de Oosttangent langs De Draai.
Deze voortgang is voor de gemeente van groot belang om conform planning grond te kunnen uitgeven in het vierde kwartaal van 2016 aan Kennemerland Beheer/ [v.o.f. 1] en de in de grondexploitatie ingerekende inkomsten tijdig te realiseren. (…)”
3.Beoordeling
grief 2(genummerd als 2.1 t/m 2.5) bezwaar tegen rechtsoverweging 4.5 van het eindvonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de afspraken die zijn neergelegd in de brief van 20 april 2010 niet kunnen worden beschouwd als een “perfecte” overeenkomst waarvan nakoming kan worden gevorderd op de wijze zoals door Kennemerland Beheer primair is gevorderd en dat het primair gevorderde moet worden afgewezen.
grief 3(genummerd als 3.1) voert Kennemerland Beheer aan dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 4.10 heeft overwogen dat partijen in april 2010 afspraken hebben gemaakt in het kader van hun voorgenomen samenwerking bij het ontwikkelen en realiseren van de woningen in onder meer De Draai en dat over de wijze waarop de samenwerking gestalte zou krijgen partijen nadere afspraken dienden te maken.
grief 4(genummerd als 4.1 t/m 4.6) maakt Kennemerland Beheer bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat het Braplan I c.s. vrijstond om de onderhandelingen tussen partijen over een door hen beoogde samenwerking af te breken. Kennemerland Beheer voert ter toelichting op de grief onder meer aan dat, voor zover het hof zou oordelen dat nog geen volledige wilsovereenstemming was bereikt, de onderhandelingen zover gevorderd waren dat het eenzijdig afbreken daarvan door Braplan I c.s. in strijd was met de redelijkheid en billijkheid. Kennemerland Beheer is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat het vertrouwen voor een verdere samenwerking ontbrak. Volgens Kennemerland Beheer mocht zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat volledige wilsovereenstemming zou worden bereikt over de samenwerking.
NJ2005/467) als maatstaf heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in de totstandkoming van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (vergelijk HR 23 oktober 1987, NJ 1988/1017; HR 4 oktober 1996,
NJ1997/65; HR 14 juni 1996,
NJ1997/481).
3.27 Het hof verwerpt het betoog van Kennemerland Beheer dat het niet zo kan zijn dat Braplan I c.s. eenzijdig de onderhandelingen mogen afbreken omdat zij zelf hebben besloten om de door hen gehouden aandelen in [BV 1] te verkopen. Het wegvallen van de onderneming door de verkoop en levering op 29 november 2013 van alle geplaatste aandelen in het kapitaal van [BV 1] aan derden doet immers geen afbreuk aan het feit dat reeds eerder sprake was van een gebrek aan vertrouwen in een samenwerking met Kennemerland Beheer.
grief 5(genummerd als 5.1) faalt.