De verdachte, als degene die de feitelijke verzorging van zijn zoon had, werd ten laste gelegd dat hij niet had voldaan aan de leerplichtwet door zijn zoon niet als leerling in te schrijven gedurende de periode van 9 oktober 2014 tot en met 10 september 2015.
De verdachte had tijdig een beroep op vrijstelling gedaan op grond van bezwaren tegen de richting van het onderwijs, maar het hof oordeelde dat dit beroep niet slaagde omdat de zoon eerder, tussen zijn vierde en vijfde levensjaar, ingeschreven was geweest op een basisschool. Volgens het hof kan een vrijstelling op grond van dergelijke bezwaren niet worden verkregen nadat een kind eenmaal ingeschreven is geweest op een school waartegen bedenkingen bestaan.
De raadsvrouw pleitte voor vrijspraak op grond van vrijstelling of schulduitsluitingsgronden zoals verontschuldigbare onwetendheid en psychische overmacht, maar het hof verwierp deze verweren wegens gebrek aan onderbouwing en het ontbreken van adequate informatie-inwinning door de verdachte.
Het hof veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €300 met een proeftijd van twee jaar, met een bijkomende hechtenisstraf van zes dagen bij niet-betaling, om hem te bewegen alsnog aan de inschrijvingsplicht te voldoen.