ECLI:NL:GHAMS:2017:3953

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 oktober 2017
Publicatiedatum
2 oktober 2017
Zaaknummer
23-001603-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 164 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden met ingevorderd rijbewijs ondanks verkeersveiligheidsmaatregel

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 2 oktober 2017 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een verdachte die werd verdacht van het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. De politierechter had de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 januari 2017 op de Gooiseweg te Amsterdam een personenauto bestuurde terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte had hiermee een maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid genegeerd. Hoewel de verdachte eerder onherroepelijk was veroordeeld voor verkeersdelicten, achtte het hof deze veroordelingen niet langer tegenwerpelijk wegens verstreken tijd.

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, legde het hof een geldboete van € 1.000,- op en een gevangenisstraf van twee weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof nam daarbij ook de persoonlijke situatie van de verdachte in acht, die een horecaonderneming runt en voor wie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een zware impact zou hebben. De voorwaardelijke straf moet de verdachte ontmoedigen om opnieuw strafbaar verkeersgedrag te vertonen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €1.000 en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001603-17
datum uitspraak: 2 oktober 2017
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-017988-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 september 2017.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Amsterdam als degene van wie ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Gooiseweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 januari 2017 te Amsterdam als degene van wie ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een op zijn naam gesteld rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Gooiseweg, een motorrijtuig (personenauto) van de categorie waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1000,- subsidiair 20 dagen hechtenis, te betalen in 10 maandelijkse termijnen van elk € 100,- en een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd wegens rijden onder invloed. Hiermee heeft hij een met het oog op de verkeersveiligheid door het bevoegde gezag genomen maatregel genegeerd, hetgeen het hof hem aanrekent.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 september 2017 is hij eerder ter zake van verkeersdelicten onherroepelijk veroordeeld. Sinds die vergrijpen is echter dermate veel tijd verstreken, dat het hof de verdachte die niet langer zal tegenwerpen. Anderzijds spreekt deze omstandigheid ook niet in het voordeel van de verdachte.
Gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan door rechters plegen te worden opgelegd acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van 2 weken bij deze stand van zaken niet ongerechtvaardigd.
De verdachte heeft het hof op de terechtzitting in hoger beroep weten duidelijk te maken dat een dergelijke vrijheidsbenemende straf in zijn bijzondere geval stevig zal ingrijpen op zijn persoonlijk leven, op dat van zijn kinderen en op de bedrijfsvoering in zijn horecaonderneming. Het hof legt de verdachte daarom in plaats daarvan een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte op en zal de 2 weken gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm gieten. Met dit laatste wordt tevens beoogd de verdachte ervan te weerhouden dat hij zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan strafwaardig verkeersgedrag. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, te bepalen dat de geldboete in termijnen kan worden voldaan.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. R. Kuiper en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van
D.J. Herbrink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
2 oktober 2017.
Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.