ECLI:NL:GHAMS:2017:3419
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing voorlopige hechtenis
De verdachte had bij de rechtbank Noord-Holland verzocht om opheffing van zijn voorlopige hechtenis, maar dit verzoek werd afgewezen. Tegen deze beslissing stelde de verdachte hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam. Het hof nam kennis van de stukken en hoorde de advocaat-generaal en de verdachte met zijn raadsman.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 87, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, een verdachte slechts eenmaal in hoger beroep kan komen tegen een afwijzing van een verzoek tot schorsing of opheffing van voorlopige hechtenis. Hoewel artikel 406, tweede lid Sv in bepaalde gevallen hoger beroep toestaat nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, was het niet de bedoeling van de wetgever om hiermee nieuwe beroepsmogelijkheden te creëren.
Aangezien het hof reeds op 17 mei 2017 had beslist op een eerder hoger beroep van de verdachte tegen het bevel van gevangenhouding en de afwijzing van het verzoek tot schorsing, was de verdachte niet-ontvankelijk in het huidige hoger beroep. Het hof verklaarde het beroep dan ook niet-ontvankelijk.
Deze beslissing werd genomen door de raadkamer van het hof op 16 augustus 2017, waarbij de advocaat-generaal het vonnis ter kennis bracht van de verdachte.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis.