Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2017:1977

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 april 2017
Publicatiedatum
30 mei 2017
Zaaknummer
200.211.164/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling en verlenging looptijd

Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin hun schuldsaneringsregeling tussentijds werd beëindigd vanwege het ontstaan van nieuwe schulden, boedelachterstand en onvoldoende nakoming van informatie- en inspanningsverplichtingen.

Het hof constateert dat appellanten inderdaad langdurig tekort zijn geschoten in hun verplichtingen, met nieuwe schulden van circa €7.000 en een boedelachterstand van ongeveer €945. Desondanks is gebleken dat zij een gedragsverandering hebben doorgemaakt, waaronder intensieve sollicitaties en het overleggen van ontbrekende informatie, evenals een concreet budgetplan om de schulden af te lossen.

De bewindvoerder acht het plan ambitieus maar mogelijk bij strikte naleving. Het hof geeft appellanten een laatste kans door de looptijd van de regeling met 24 maanden te verlengen, onder strikte voorwaarden en met de waarschuwing dat zij zich maximaal moeten inspannen om de regeling succesvol af te ronden.

Na afloop zal worden beoordeeld of appellanten recht hebben op de schone lei. Het hof vernietigt het eerdere vonnis en wijst het verzoek tot beëindiging af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de tussentijdse beëindiging en verlengt de schuldsaneringsregeling met 24 maanden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.211.164/01
insolventienummers rechtbank : C/13/15/203-R en C/13/15/204-R
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 april 2017
in de zaak van

1.[appellant] ,

2. [appellante],
beiden wonende te [adres] ,
appellanten,
advocaat: mr. J.C.R. de Lyon te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd, en afzonderlijk aangeduid met [appellant] onderscheidenlijk [appellante] .
[appellanten] zijn bij per fax op 9 maart 2017 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2017, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregelingen ten aanzien van [appellanten] tussentijds heeft beëindigd.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 11 april 2017. Bij die behandeling zijn [appellanten] verschenen, vergezeld van hun beschermingsbewindvoerder, [beschermingsbewindvoerder] , en bijgestaan door mr. De Lyon voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities, met producties. Voorts is de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling, C.D.F. Braam, verschenen die haar standpunt heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.
Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het verslag van de bewindvoerder van 23 maart 2017, met bijlagen, en de namens [appellanten] bij akte van 7 april 2017 nader overgelegde stukken (producties 2 en 3). [appellanten] en de bewindvoerder hebben verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellanten] hebben in het beroepschrift verzocht om het vonnis waarvan beroep te vernietigen en hun alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien, eventueel onder verlenging van de looptijd. Daartoe hebben zij - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. [appellanten] erkennen dat zij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling in onvoldoende mate hebben voldaan aan de uit die regeling voortvloeiende informatie- en inspanningsverplichting en dat zij in weerwil daarvan nieuwe schulden hebben laten ontstaan. De problemen zijn volgens [appellanten] al bij aanvang van de schuldsaneringsregeling ontstaan. [appellant] heeft een wisselend inkomen en [appellante] raakte na een half jaar haar inkomen uit een persoonsgebonden budget (pgb) kwijt doordat haar moeder werd opgenomen. Door deze omstandigheden hebben [appellanten] regelmatig een maandinkomen gehad dat onder het vrij te laten bedrag lag. [appellante] werd hierdoor passief en depressief. Hoewel zij arbeidsgeschikt was bevonden door de GGD-keuringsarts, voelde [appellante] zich niet in staat arbeid te verrichten. Inmiddels is er sinds juli 2016 een beschermingsbewindvoerder aangesteld. Sinds de voorlaatste dreiging van ontruiming en een stevig gesprek met de beschermingsbewindvoerder beseffen [appellanten] dat het echt anders moet. Zij hebben zich inmiddels herpakt en hebben alle ontbrekende informatie aan de bewindvoerder toegestuurd en de huurachterstand (grotendeels) ingelopen. In de afgelopen maanden hebben [appellant] c.s viermaal per week gesolliciteerd, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij beiden een dezer dagen een sollicitatiegesprek hebben. Voorts hebben de gesprekken met de beschermingsbewindvoerder ertoe geleid dat de inwonende meerderjarige dochter van [appellanten] € 250,- per maand bijdraagt in de gezinsuitgaven en voortaan de gezinsboodschappen zal doen, zodat het leefgeld ad € 70,- per week gereserveerd kan worden voor de aflossing van schulden. [appellanten] hebben met hulp van de beschermingsbewindvoerder en hun advocaat een budgetplan opgesteld. Uitgaande van een nieuwe schuldenlast van € 6.994,85, waarvan reeds bijna € 1.900,- is afgelost, en uitgaande van een aflossingscapaciteit van € 204,- per maand, zullen de nieuwe schulden afgelost kunnen worden mits de looptijd van de schuldsaneringsregeling met de maximale duur van twee jaar wordt verlengd. [appellanten] verzoeken het hof op grond van al het vorengaande daartoe over te gaan.
2.2.
De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. [appellanten] hebben gedurende de schuldsaneringsregeling niet volledig en tijdig aan de informatieverplichting voldaan, waardoor zij de bewindvoerder niet in staat hebben gesteld haar controlerende taak uit te voeren en de boedelafdracht te berekenen. Voorts hebben [appellanten] beiden ongeveer twee jaar niet aan de voor hen geldende inspanningsverplichting voldaan. De bewindvoerder meent dan ook dat de rechtbank niet anders kon beslissen dan zij heeft gedaan. Volgens de bewindvoerder bedragen de nieuwe schulden in totaal € 7.251,88 en is boedelachterstand voorlopig berekend op € 945,51. De bewindvoerder acht het overgelegde budgetplan ter aflossing van deze bedragen ambitieus en twijfelt eraan, gezien het eerdere verloop van de schuldsaneringsregeling, of [appellanten] zich hieraan kunnen houden. Indien het hof in de omstandigheden aanleiding ziet [appellanten] toch nog een kans te geven, dan verzoekt de bewindvoerder de looptijd te verlengen met de maximale duur van twee jaar. De bewindvoerder refereert zich wat dit laatste betreft aan het oordeel van het hof.
2.3.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieverplichting niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.
2.4.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep moet worden vastgesteld dat [appellanten] , evenals de rechtbank heeft overwogen, langdurig zijn tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Gebleken is dat zij bovenmatige nieuwe schulden hebben laten ontstaan tot een bedrag van ongeveer € 7.000,- en daarnaast een boedelachterstand die voorlopig is berekend op € 945,51, terwijl zij daarnaast niet, althans in onvoldoende mate, hebben voldaan aan de informatie- en en inspanningsverplichting. Hoewel deze tekortkomingen in beginsel een beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei rechtvaardigen, ziet het hof thans aanleiding [appellanten] in de gelegenheid te stellen de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te brengen. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst is gebleken van een gedragsverandering bij [appellanten] (en hun dochter). Zij lijken (eindelijk) te beseffen wat er speelt en dat zij zelf degenen zijn die verandering kunnen brengen in hun (financiële) situatie. Zo hebben zij in de maanden maart en april 2017 ongeveer 40 sollicitaties verricht hetgeen ertoe heeft geleid dat zij binnenkort een sollicitatiegesprek zullen hebben. Wat betreft de informatieverplichting is thans gebleken dat [appellanten] alle ontbrekende bescheiden alsnog aan de bewindvoerder hebben verstrekt. [appellanten] hebben daarnaast in hoger beroep een concreet en gedegen plan van aanpak overgelegd, waarin zij het hof voldoende ervan hebben kunnen overtuigen dat zij de nieuwe schulden en boedelachterstand kunnen voldoen binnen de (met 24 maanden) te verlengen looptijd van de schuldsaneringsregeling. Bovendien heeft de bewindvoerder in haar reactie op het plan van aanpak aangegeven dat zij het daadwerkelijk mogelijk acht dat [appellanten] de nieuwe schulden en de boedelachterstand in een verlengde looptijd van de schuldsaneringsregeling zullen kunnen voldoen als zij zich strikt houden aan het daarin opgenomen schema.
2.5.
Het vorenoverwogene in aanmerking genomen zal het hof [appellanten] in de gelegenheid stellen de schuldsaneringsregeling alsnog de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling na te komen en daartoe de looptijd verlengen met 24 maanden. Van [appellanten] wordt verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om inkomsten te verwerven teneinde zoveel mogelijk aan de boedel af te dragen. [appellanten] dienen zich te realiseren dat hen hiermee een allerlaatste kans wordt gegeven om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Het hof wijst [appellanten] er op dat alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling tijdens het verdere verloop van de schuldsaneringsregeling onverkort van toepassing blijven. Dat betekent dat zij onder meer gehouden zijn uit eigen beweging de bewindvoerder alle informatie te geven waar om wordt verzocht alsmede die informatie waarvan zij redelijkerwijs kunnen weten dat die van belang is voor de schuldsaneringsregeling. Voorts dienen zij de nieuwe schulden en de door de bewindvoerder berekende boedelachterstand binnen de verlengde looptijd volledig af te lossen en geen nieuwe schulden (meer) te laten ontstaan. Zij blijven bovendien gehouden tot het doen van boedelafdrachten ingeval hun inkomen hoger wordt dan het vrij te laten bedrag. Na afloop van de termijn van de schuldsaneringsregeling zal bekeken moeten worden of [appellanten] de verplichtingen naar behoren zijn nagekomen en of aan hen de zogenoemde schone lei kan worden verleend.
2.6.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen.

3.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis waarvan beroep;
- wijst het verzoek tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog af;
- verlengt de duur van de schuldsaneringsregeling met in totaal 24 maanden, derhalve tot 27 maart 2020;
- verstaat dat de rechtbank te zijner tijd bij gelegenheid van de beëindiging van de schuldsaneringsregelingen alsnog zal bepalen of aan [appellanten] de zogenoemde schone lei wordt verleend.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, W.A.H. Melissen en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.