ECLI:NL:GHAMS:2017:1834

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 mei 2017
Publicatiedatum
18 mei 2017
Zaaknummer
23-002150-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 422 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoger beroep poging tot diefstal met braak en medeplegen

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep van verdachte behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam. Het hof bevestigt het vonnis, maar leest de bewezenverklaring en kwalificatie van het tweede ten laste gelegde feit verbeterd, waarbij het gaat om poging tot diefstal door twee of meer personen met braak. Tevens wijst het hof het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het horen van een getuige af, omdat de verklaring van deze getuige voldoende duidelijkheid verschaft.

Het hof voegt een aanvullend bewijsmiddel toe, bestaande uit aangetroffen breekwerktuigen en een proces-verbaal van de politie, waarin wordt beschreven dat de goederen dicht tegen de wand van het trapportaal lagen om uit het zicht te blijven. Ook is vastgesteld dat de voordeur vernield was, wat duidt op braak.

Bij de strafmotivering heeft het hof rekening gehouden met een uittreksel uit de Justitiële Documentatie en een rapport van de GGZ Reclassering Inforsa. De opgelegde straf komt overeen met de vordering van de advocaat-generaal en de eerdere straf van de rechtbank. Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is hierbij van toepassing.

Het arrest is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 9 mei 2017.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het vonnis en legt een straf die overeenkomt met de eerdere uitspraak.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002150-16
datum uitspraak: 9 mei 2017
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-684447-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 december 2016 en 25 april 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte partieel hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is beperkt tot de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
- de bewezenverklaring en kwalificatie in het vonnis van het onder 2 ten laste gelegde verbeterd leest zoals hierna te melden;
- het vonnis aanvult met de hierna volgende bespreking van het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gedane voorwaardelijk verzoek ten aanzien van feit 1;
- het vonnis aanvult met een bewijsmiddel en een bewijsoverweging ten aanzien van feit 2;
- de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvult met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
- de strafmotivering van de rechtbank aanvult.

Verbeterde lezing bewezenverklaring feit 2

Het hof zal kennelijke schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd lezen, in dier voege dat:
- de zinsnede in de vierde en vijfde regel “weg te nemen goederen en/of een geldbedragen” telkens zal luiden: “weg te nemen goederen en/of een geldbedrag” en
- in de vijfde regel tussen de woorden “Ghazi” en “zich” is ingevoegd het woord “en”;
Verbeterde lezing kwalificatie feit 2
Het hof zal een kennelijke verschrijving in de kwalificatie van feit 2 verbeterd lezen, in dier voege dat:
- de zinsnede “gedurende de voor nachtrust bestemde tijd” en de zinsnede “waarbij de schuldige” vervalt.
De kwalificatie van feit 2 luidt dan aldus:

poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”.

Afwijzing voorwaardelijk verzoek ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht - indien het hof tot een bewezenverklaring komt - tot het horen van de getuige [getuige 1]. De verdediging wenst de getuige onder meer te bevragen over hetgeen zij daadwerkelijk heeft gezien en hetgeen zij heeft geconcludeerd, om te kunnen vaststellen of dat voldoende bewijs oplevert voor het aannemen van medeplegen ten aanzien van zijn cliënt. Dit mede in het licht van het proces-verbaal waarin staat vermeld dat de getuige geen signalement kon geven maar wel timmergeluiden hoorde, hetgeen minst genomen de suggestie wekt dat zij feitelijk niets heeft gezien doch slechts heeft geconcludeerd, aldus de raadsman.
Het hof wijst het verzoek tot het horen van getuige [getuige 1] af. Aan het verzoek tot het horen van de getuige is met name ten grondslag gelegd dat de getuige mogelijk feitelijk niets heeft gezien maar slechts conclusies heeft getrokken. Deze suggestie van de raadsman vindt geen steun in de verklaring die de getuige tegenover de politie heeft afgelegd, nu daarin tot tweemaal toe is opgenomen dat de getuige heeft gezien dat beide personen aan het hameren waren en de naastgelegen trap opliepen en weer afliepen, zodat de noodzaak om de getuige te horen gelet op de aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering onvoldoende gebleken is.

Aanvullend bewijsmiddel ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

13) Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015245256-27 van 5 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 59-60].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisanten(of één of meer van hen):
‘Wij verbalisanten zijn op 5 november 2015, in de woning gelegen aan [adres 2] te Amsterdam, met de lift omhoog gegaan om vanaf de 2e verdieping toegang te kunnen krijgen tot het trapportaal. Wij verbalisanten zijn vervolgens via het trapportaal naar de begane grond gelopen. Wij zagen dat in het verlengde van beide zijden van de trap diverse goederen lagen. Wij zagen dat deze dicht tegen de wand van de trap aanlagen, kennelijk om deze zoveel mogelijk uit het zicht te houden.
Wij zagen dat de aangetroffen goederen de volgende betroffen:
- PL1300-2015245256-5077133, gereedschap, handgereedschap (breekijzer), 1 stuks, kleur zwart, Nederland,
- PL 1300-2015245256-5077134, gereedschap, schroevendraaier, 1 stuks, Nederland, bijzonderheden rood handvat, platte kop,
- PL 1300-2015245256-5077136, gereedschap schroevendraaier, 1 stuks, Nederland, bijzonderheden rood handvat, platte kop.’

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Uit de omschrijving van de schade aan de deur en de deurpost door de aangever: ‘Ik zag dat de voordeur was vernield op de rand van de deur en het kozijn’ (bewijsmiddel 6) bezien in samenhang met de verklaring van getuige [getuige 2]: ‘Ik hoorde dit gebonk uit het portiek komen’ en “ik zag dat de jongens iets aan het doen waren bij de deur’(bewijsmiddel 7) kan worden afgeleid dat sprake is geweest van wrikken met de aangetroffen breekwerktuigen.

Aanvullende overweging ten aanzien van de straf

Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 april 2017 en het rapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 12 december 2016 betreffende de verdachte. Het hof komt, alles afwegende, tot straffen die overeenkomen met die welke door de advocaat-generaal zijn gevorderd en door de rechtbank zijn opgelegd. Toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht maakt dat niet anders.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. C.N. Dalebout en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van S.E.F. Rahimbaks, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 mei 2017.
Mr. M.B. de Wit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.