ECLI:NL:GHAMS:2017:1795
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep schadevergoeding wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis en inverzekeringstelling
Appellant verzocht om een schadevergoeding van €25.455,39 wegens de schade die hij heeft geleden door de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in een strafzaak die zonder strafoplegging eindigde. De rechtbank wees slechts een deel van de vergoeding toe (€3.500), waarbij de forfaitaire vergoeding voor de detentiedagen werd afgewezen vanwege de psychische gesteldheid van appellant.
In hoger beroep oordeelt het hof anders. Gezien de bijzondere omstandigheden, waaronder de ernstige verwarring van appellant en het feit dat hij in afwachting was van een machtiging voor klinische opname, acht het hof billijkheidshalve toekenning van de forfaitaire vergoeding gerechtvaardigd. Daarnaast wordt een hogere vergoeding voor inkomstenderving, met name de huurschuld, toegekend.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking en kent een totale vergoeding toe van €24.820, waarbij het openbaar ministerie erkent dat de voorlopige hechtenis te lang heeft geduurd, wat de schade heeft vergroot. De beschikking wordt onverwijld betekend en de betaling wordt bevolen ten laste van de Staat.
Uitkomst: Het hof kent appellant een schadevergoeding toe van €24.820 wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis en inverzekeringstelling.