Uitspraak
Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
€ 575,--. In de desbetreffende brief is [geïntimeerde] er op gewezen dat hij al eerder (onder meer in 2006 en 2009) op onzorgvuldig depotbeheer was aangesproken.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een buschauffeur die sinds 1998 bij GVB in dienst was en verantwoordelijk was voor het beheer van een depot met vervoersbewijzen en contant geld. Ondanks meerdere waarschuwingen en een begeleidingstraject bleef hij de bedrijfsregels overtreden, met name door het depot te vermengen met privégelden en te weigeren mee te werken aan depotcontroles.
Na een weigering op 20 november 2014 om mee te werken aan een onaangekondigde depotcontrole, werd hij op staande voet ontslagen. De kantonrechter oordeelde destijds dat het ontslag te ver ging en kende hem loon toe tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 31 juli 2015.
Het hof stelt echter vast dat de werknemer vanaf september 2014 uitdrukkelijk was geïnformeerd dat depotcontroles onaangekondigd konden plaatsvinden en dat weigering zou leiden tot ontslag op staande voet. Zijn standpunt dat controles vooraf aangekondigd moesten worden, faalt omdat hierover geen afwijkende afspraken zijn gemaakt.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werknemer af. Tevens wordt hij veroordeeld tot terugbetaling van het door GVB betaalde bruto bedrag van € 42.383,79 met wettelijke rente en in de proceskosten. De beslissing bevestigt dat het niet meewerken aan depotcontroles een dringende reden voor ontslag op staande voet vormt.
Uitkomst: Het hof bevestigt het ontslag op staande voet en wijst de vorderingen van de werknemer af.