Uitspraak
ontneming)
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarbij de veroordeelde was veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking en tot betaling van een bedrag van €243.344,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde had hoger beroep ingesteld tegen zowel de strafvonnis als de ontnemingsvordering. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep werd een verzoek tot benoeming van een forensisch accountant gedaan om de omvang van de verduisterde parkeergelden vast te stellen, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en twijfel over de toegevoegde waarde.
Daarnaast voerde de verdediging aan dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden, waardoor de ontnemingsvordering zou moeten worden afgewezen of verminderd. Het hof erkende de overschrijding van ruim anderhalf jaar, maar stelde dat deze reeds in de strafzaak was meegewogen bij de strafoplegging. Daarom werd de ontnemingsvordering bevestigd zonder aanpassing.
Het arrest bevestigt het vonnis waarvan beroep en verwerpt het verzoek tot nader onderzoek en het verweer over de termijnoverschrijding. De procedure duurde ruim vijf jaar, wat de redelijke termijn overschrijdt, maar dit leidt niet tot afwijzing van de ontnemingsvordering.
Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering van €243.344,50 ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.